Art. 12 UW, Voorwaarden voor uitlevering
1. Uitlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister zal worden vervolgd, gestraft, of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, terzake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is uitgeleverd.
2. Onze Minister kan de in het vorige lid bedoelde toestemming geven ten aanzien van:
a. strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon, krachtens het toepasselijke verdrag, aan de staat van wie het verzoek om toestemming is uitgegaan had kunnen worden uitgeleverd;
b. andere feiten, voor zover deze zowel naar het recht van de staat van wie het verzoek om toestemming is uitgegaan als naar dat van Nederland strafbaar zijn en de mogelijkheid van uitlevering daarvoor niet krachtens de artikelen 8-11 van deze wet is uitgesloten.
3. Uitlevering wordt voorts niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon alleen met uitdrukkelijke toestemming van Onze Minister ter beschikking zal worden gesteld van de autoriteiten van een derde staat, terzake van feiten die vóór het tijdstip van zijn uitlevering zijn begaan. De toestemming kan worden gegeven ten aanzien van strafbare feiten waarvoor de opgeëiste persoon door Nederland aan de derde staat had kunnen worden uitgeleverd.
4. De beslissing van Onze Minister op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste en het derde lid wordt ter kennis van de staat van wie dat verzoek is uitgegaan gebracht langs diplomatieke weg, tenzij bij verdrag in een andere weg is voorzien.
5. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op verzoeken van een lidstaat van de Europese Unie tot verderlevering aan een derde staat van een persoon die door Nederland onder het beding, bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Overleveringswet, werd overgeleverd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit van die lidstaat.
6. Ten aanzien van de lidstaten van de Europese Unie kan bij verdrag worden voorzien in uitzonderingen voor andere dan de in het vijfde lid bedoelde gevallen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4110
- HR 14 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9724
- Hof 's-Hertogenbosch 29 augustus 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3764
- Rb. Noord-Nederland 14 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3367
- Rb. Amsterdam 26 maart 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:1985
- Conclusie A-G Sinnige 3 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:145
- Hof Den Haag 14 november 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:2325
- Rb. 's-Gravenhage 8 februari 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BL3679
- Rb. 's-Gravenhage 5 juni 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI7753
- Rb. Overijssel 2 juni 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:2039
- Rb. Oost-Brabant 30 juli 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3564
- Rb. Noord-Nederland 4 november 2014, ECLI:NL:RBNNE:2014:6827
- Rb. Noord-Holland 6 juni 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4935
- Rb. Haarlem 3 juni 2009, ECLI:NL:RBHAA:2009:BI7364
- Rb. Haarlem 5 augustus 2003, ECLI:NL:RBHAA:2003:AI0833
- Rb. Gelderland 7 januari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:87
- Rb. Gelderland 12 september 2024, ECLI:NL:RBGEL:2024:9378
- Rb. Den Haag 9 november 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:11716
- Rb. Den Haag 17 maart 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:2870
- Rb. Den Haag 11 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8485