HR 19 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4110

Vervolgingsuitlevering aan VS. 1. Bij toepassing van art. 9.3.b van het Uitleveringsverdrag NL-VS geldt als maatstaf of, indien de opgeëiste persoon voor een Nederlandse rechter zou zijn vervolgd, het niet hoogstonwaarschijnlijk zou zijn dat deze, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering de ten laste gelegde feiten geheel of gedeeltelijk bewezen zou achten (HR NJ 1994, 266). Het behoort tot de taak van de rechterlijke instantie van de verzoekende staat om in volle omvang de betrouwbaarheid en de redengevendheid van dat bewijsmateriaal te beoordelen, ook voorzover dat in Nederland is verkregen en vast te stellen of dit een veroordeling rechtvaardigt. 2. Het betoog dat de stukken ongenoegzaam zouden zijn omdat het arrestatiebevel is ondertekend door een Magistrate Judge en niet door een Grand Jury, miskent dat behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, er op moet worden vertrouwd dat het bevel is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat. 3. De HR verwerpt het verweer dat het uitleveringsverzoek, gelet op het gelegde verband met het terroristische Al Quaeda-netwerk (leden van dat netwerk zouden hebben geprofiteerd van oplichting van telefoonmaatschappijen door de opgeëiste persoon), is gedaan met een politiek oogmerk als bedoeld in art. 4 Uitleveringsverdrag NL-VS en art. 11 UW. Uit niets kan volgen dat de verzoekende Staat de uitlevering mede vraagt ter fine van strafvervolging t.z.v. andere feiten dan de vermogensdelicten die in het verzoek zijn bedoeld (oplichting telefoonmaatschappijen). Verder is niet aannemelijk geworden dat die feiten samenhangen met een strafbaar feit van politieke aard dan wel dat dat verzoek is gedaan met een politiek oogmerk. 4. Of de uitlevering moet afstuiten op de gegronde vrees voor schending van het specialiteitsbeginsel als bedoeld in art. 15 Uitleveringsverdrag NL-VS en art. 12 UW is in beginsel niet aan de uitleveringsrechter (HR NJ 2000, 367). Dat kan uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een zodanig risico van flagrante inbreuk op enig hem ex art. 6 EVRM toekomend recht dat de op Nederland ex art. 1 EVRM rustende verplichting om dat recht te verzekeren aan uitlevering in de weg staat. 5. In beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat de verzoekende Staat de in het EVRM en IVBPR neergelegde fundamentele rechten zal respecteren, ook bij de toepassing in de VS van het aldaar tot de strafprocessuele mogelijkheden behorende systeem dat een verdachte in voorkomend geval een plea agreement kan aangaan. Die mogelijkheid bestond immers ook reeds t.t.v. de bilaterale onderhandelingen die tot het onderhavige uitleveringsverdrag hebben geleid. Dit kan uitzondering lijden onder omstandigheden als hiervoor onder 4 vermeld (HR LJN AE5288). I.c. kan niet worden gezegd dat tussen de mogelijkheden waaruit de opgeëiste persoon zal moeten kiezen – het ondergaan van een full trial dan wel het aangaan van een plea agreement – gelet op de duur van de onderscheiden procedures en de mogelijke verschillen in uitkomst een zodanige flagrante wanverhouding bestaat dat de opgeëiste persoon wordt gedwongen een plea agreement aan te gaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen