Rb. 's-Gravenhage 5 juni 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BI7753
Dubbele strafbaarheid. Oorlogsmisdrijf naar Nederlands recht? Internationaal of niet-internationaal gewapend conflict? Effective remedy ex art. 13 EVRM. De rechtbank verklaart de uitlevering van de opgeëiste persoon ter zake van een internationaal misdrijf - in casu het opzettelijk om het leven brengen van een krijgsgevangene - aan Bosnië en Herzegovina toelaatbaar. De rechtbank begrijpt uit de stukken dat in het Bosnisch recht onder "krijgsgevangene" wordt verstaan: iedereen die actief aan een gewapend conflict deelnam als bedoeld in het artikel 156 van het destijds geldende Wetboek van Strafrecht van Bosnië en Herzegovina en ten gevolge daarvan van zijn vrijheid is beroofd, ongeacht of hij een militaire status genoot in de zin van het internationale humanitaire recht. Het feit levert naar Nederlands recht op het bij artikel 6, eerste lid, aanhef, sub a, van de WIM: zich in geval van een niet-internationaal gewapend conflict schuldig maken aan schending van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève, te weten het begaan jegens personen die niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, met inbegrip van personeel van strijdkrachten dat de wapens heeft neergelegd, of jegens personen die buiten gevecht zijn gesteld door gevangenschap, van aanslagen op het leven, in het bijzonder het doden. Of de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina daarbij dat conflict ook willen beoordelen volgens het internationale humanitaire recht, regardeert de rechtbank als uitleveringsrechter niet, daar zij slechts moet vaststellen of het feitencomplex is te kwalificeren volgens de normen van artikel 2 van het Europees verdrag betreffende uitlevering (Trb. 1965, 9) en artikel 5 van de Uitleveringswet. Namens de opgeëiste persoon is onder meer betoogd dat de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina dusdanig lang hebben gewacht met het uitvaardigen van het uitleveringsverzoek, dat van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM geen sprake meer zal kunnen zijn, zodat een flagrante schending van artikel 6 EVRM dreigt en het uitleveringsverzoek ontoelaatbaar moet worden verklaard. De rechtbank verwerpt dit verweer met verwijzing naar het vertrouwensbeginsel en heeft in dat kader het volgende overwogen. Bosnië en Herzegovina heeft het EVRM op 24 april 2002 ongeclausuleerd ondertekend en geen interpretatieve verklaring aan zijn final act toegevoegd. Op 12 juli 2002 is het EVRM geratificeerd en de inwerkingtreding van de goedkeuringswet is van dezelfde datum. Dit betekent dat het EVRM ook voor Bosnië en Herzegovina zelfwerkend is en direct toepasselijk in alle garanties is. Dit brengt mee dat de opgeëiste persoon in geval van schending van enig hem bij dat verdrag toegekend recht na zijn uitlevering ter strafvervolging het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel ('effective remedy') als bedoeld in artikel 13 EVRM. De overige door en namens de opgeëiste persoon gevoerde verweren, zijn eveneens door de rechtbank verworpen.
De uitspraak op rechtspraak.nl