Art. 22a LB, Tarief
Wet op de loonbelasting 1964 (LB)
1. Voor de werknemer die loon uit tegenwoordige arbeid geniet, is de arbeidskorting van toepassing.
2. De arbeidskorting wordt berekend over het loon uit tegenwoordige arbeid en bedraagt:
a. 8,324% van dat loon met een maximum van € 996, vermeerderd met:
b. 31,009% van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 11.965, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a en b niet meer bedraagt dan € 5.300, alsmede vermeerderd met:
c. 1,950% van het arbeidsinkomen voor zover dat meer bedraagt dan € 25.845, waarbij de som van de bedragen berekend op de voet van de onderdelen a, b en c niet meer bedraagt dan € 5.685, en verminderd, doch niet verder dan tot nihil, met:
d. 6,51% van dat loon voorzover dit bij een tijdvakloon op jaarbasis meer bedraagt dan € 45.592.
3. Met loon uit tegenwoordige arbeid wordt gelijkgesteld:
a. loon genoten wegens tijdelijke inactiviteit als bedoeld in artikel 628 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen, voor een tijdvak van maximaal 104 weken;
b. loon genoten als garantieloon als bedoeld in artikel 628a, eerste, derde en achtste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
c. loon genoten wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede hetgeen door de werknemer met een publiekrechtelijke dienstbetrekking wordt genoten op grond van naar aard en strekking overeenkomstige regelingen en uitkeringen ingevolge de Ziektewet, voor zover die betrekking hebben op de periode waarin de dienstbetrekking in de zin van die wet nog niet is beëindigd of voor zover die voortvloeien uit een vrijwillige verzekering als bedoeld in artikel 64 van die wet;
d. uitkeringen op grond van de Wet arbeid en zorg en aanvullingen daarop door degene tot wie de belastingplichtige in dienstbetrekking staat.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CRvB 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2091
- Conclusie A-G Niessen 25 januari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:65
- Hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:465
- CRvB 4 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2125
- Hof 's-Hertogenbosch 21 december 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:BA1390
- CRvB 26 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2941
- Rb. Zeeland-West-Brabant 14 augustus 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:8051
- Rb. Noord-Nederland 11 juli 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:2692
- Conclusie A-G Pauwels 26 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:459
- Conclusie A-G Niessen 14 augustus 2013, ECLI:NL:PHR:2013:789
- Rb. 's-Gravenhage 25 april 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:BA9676
- Rb. 's-Gravenhage 25 april 2006, ECLI:NL:RBSGR:2006:AY4276
- Rb. Noord-Nederland 22 oktober 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4369
- Rb. Noord-Holland 7 februari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:1421
- Rb. Noord-Holland 11 maart 2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:5635
- Rb. Gelderland 20 oktober 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:5538
- Rb. Arnhem 26 juni 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX0188
- Conclusie A-G Koopman 19 januari 2024, ECLI:NL:PHR:2024:79
- Conclusie A-G Niessen 11 augustus 2021, ECLI:NL:PHR:2021:754
- Conclusie A-G Wattel 14 juni 2002, ECLI:NL:PHR:2002:ZC8146