Art. 6:6:3 Sv, Rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging
Wetboek van Strafvordering (Sv)
1. Het openbaar ministerie zendt de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het gerecht toe. De rechter bepaalt daarop onverwijld een dag voor het onderzoek van de zaak, tenzij de summiere kennisneming van de stukken de rechter aanleiding geeft de vordering of het verzoek zonder behandeling niet-ontvankelijk te verklaren.
2. Het openbaar ministerie doet de veroordeelde en, indien daartoe aanleiding is, degene die met reclasseringstoezicht is belast, tot bijwoning van de zitting oproepen, onder betekening van de vordering of de conclusie aan de veroordeelde.
3. Indien niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, en het openbaar ministerie vordert dat de beslissing zal worden genomen, geeft het openbaar ministerie kennis van deze vordering aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand dat voor de veroordeelde een raadsman aanwijst. In geval van een beslissing die niet op vordering van het openbaar ministerie zal worden genomen, geeft de rechter, indien niet blijkt dat de veroordeelde een raadsman heeft, voorafgaand aan het onderzoek aan het bestuur van de raad voor rechtsbijstand last tot aanwijzing van een raadsman. De artikelen 38, 43 tot en met 46 zijn van overeenkomstige toepassing.
4. De veroordeelde en degene die met reclasseringstoezicht is belast, kunnen vóór de aanvang van het onderzoek kennisnemen van de stukken. Indien de zaak bij de kantonrechter wordt behandeld, geldt hetzelfde ten aanzien van een bijzonder daartoe door de veroordeelde gemachtigde. Het bepaalde bij en krachtens artikel 32 is van overeenkomstige toepassing.
5. Zowel het openbaar ministerie als de veroordeelde zijn bevoegd getuigen en deskundigen te doen dagvaarden of schriftelijk te doen oproepen om bij het onderzoek tegenwoordig te zijn. De artikelen 260, 263 en 264 zijn van overeenkomstige toepassing.
6. Indien de veroordeelde op het tijdstip dat de zaak dient, de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, zijn de artikelen 495b tot en met 498 en 503, van overeenkomstige toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Snijders 3 maart 2023, ECLI:NL:PHR:2023:255
- HR 9 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:352
- Rb. Rotterdam 22 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2768
- Rb. Noord-Holland 27 augustus 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:7356
- Conclusie A-G Knigge 7 november 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1209
- Hof Arnhem-Leeuwarden 31 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6701
- Rb. Rotterdam 10 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:2114
- Rb. Rotterdam 22 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2767
- Rb. Overijssel 8 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4418
- Rb. Limburg 11 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2373
- Rb. Gelderland 7 december 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:6670
- Rb. Den Haag 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9959
- Rb. Amsterdam 25 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3704
- Conclusie A-G Spronken 27 februari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:198
- Conclusie A-G Spronken 18 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1256
- HR 8 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:455
- Hof 's-Hertogenbosch 6 maart 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:642
- Hof Den Haag 11 november 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:2296
- Hof Arnhem-Leeuwarden 12 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:858
- Hof Arnhem-Leeuwarden 2 april 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:2339