Art. 126o Sv, Bijzondere bevoegdheden tot opsporing voor het onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband
Wetboek van Strafvordering (Sv)
1. Indien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden voortvloeit dat in georganiseerd verband misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, worden beraamd of gepleegd die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren, kan de officier van justitie in het belang van het onderzoek bevelen dat een opsporingsambtenaar stelselmatig een persoon volgt of stelselmatig diens aanwezigheid of gedrag waarneemt.
2. De officier van justitie kan in het belang van het onderzoek bepalen dat ter uitvoering van het bevel een besloten plaats, niet zijnde een woning, wordt betreden zonder toestemming van de rechthebbende.
3. De officier van justitie kan bepalen dat ter uitvoering van het bevel een technisch hulpmiddel wordt aangewend, voor zover daarmee geen vertrouwelijke communicatie wordt opgenomen. Een technisch hulpmiddel wordt niet op een persoon bevestigd, tenzij met diens toestemming dan wel in het geval, bedoeld in artikel 126uba, eerste lid, onder c.
4. Het bevel tot observatie is schriftelijk en vermeldt:
a. een omschrijving van het georganiseerd verband;
b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, zijn vervuld;
c. de naam of een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de persoon, bedoeld in het eerste lid;
d. bij toepassing van het tweede lid, de plaats die zal worden betreden;
e. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, en
f. de geldigheidsduur van het bevel.
5. Artikel 126g, vierde en zesde tot en met achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.
6. Een bevel als bedoeld in het eerste lid kan ook worden gegeven aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen eisen worden gesteld aan deze personen. Het tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475
- HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192
- HR 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:375
- Rb. Limburg 26 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:558
- Rb. Limburg 26 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:571
- Hof Den Haag 5 januari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:6
- Conclusie A-G Keulen 5 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1158
- CRvB 15 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:947
- Hof Den Haag 23 februari 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:324
- Conclusie A-G Hofstee 26 september 2023, ECLI:NL:PHR:2023:826
- Rb. Noord-Holland 4 mei 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3833
- Conclusie A-G Spronken 16 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:136
- Hof Den Haag 23 juni 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1343
- Rb. Noord-Holland 21 juni 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:5329
- Rb. Noord-Holland 4 mei 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:3899
- Rb. Midden-Nederland 12 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1403
- Rb. Midden-Nederland 12 april 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1389
- Rb. Limburg 26 april 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:3227
- Rb. Overijssel 15 maart 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:720
- Rb. Overijssel 15 maart 2022, ECLI:NL:RBOVE:2022:719