HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:192
Handel in en aanwezig hebben van harddrugs (art. 2.A en 2.C Opiumwet), voorbereiden of bevorderen van Opiumwetdelicten (art. 10a Opiumwet), verhandelen van wapens en/of munitie (art. 9.1 WWM), voorhanden hebben van vuurwapens (art. 26 WWM) en witwassen (art. 420bis.1.b Sr). 1. Afwijzing verzoek van verdediging tot aanhouding van zaak in afwachting van beantwoording door HR van prejudiciële vragen. 2. Vertrouwensbeginsel. Heeft hof terecht geoordeeld dat t.a.v. toetsing van inzet van interceptietool door Frankrijk vertrouwensbeginsel van toepassing is? 3. Vertrouwensbeginsel en beoordeling van onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd. 4. Kwalificatieklacht. Heeft hof feit ten onrechte gekwalificeerd als witwassen i.p.v. medeplegen van witwassen? 5. Vermelding wetsartikelen. Heeft hof verzuimd art. 10a Opiumwet te vermelden als wettelijk voorschrift waarop strafoplegging o.m. berust? 6. Verzoeken tot stellen van vragen. Ad 1. Rechter kan in omstandigheid dat prejudiciële vraag is gesteld aan HR in andere strafzaak waarin eenzelfde rechtsvraag aan de orde is, aanleiding vinden om verdere behandeling te schorsen totdat HR uitspraak heeft gedaan. Die rechter is daartoe echter niet verplicht. Het is aan rechter om beslissing te nemen over schorsen van verdere behandeling in licht van belangen die in betreffende zaak aan de orde zijn (vgl. HR:2023:913). Hof heeft verzoek afgewezen op gronden dat geen rechtsregel dwingt tot aanhouden van behandeling van zaak omdat er in andere strafzaak prejudiciële vragen zijn gesteld aan HR, en hof zich voldoende voorgelicht en in staat acht om beslissing te nemen over toepassing en reikwijdte van vertrouwensbeginsel. Dit oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. Vaststellingen van hof komen erop neer dat inzet van interceptietool plaatsvond onder verantwoordelijkheid van Franse en dus buitenlandse autoriteiten. Daarop gebaseerd oordeel van hof dat t.a.v. toetsing van inzet van interceptietool vertrouwensbeginsel van toepassing is (zodat het niet aan Nederlandse rechter is om te toetsen of wijze waarop inzet heeft plaatsgevonden strookt met rechtsregels die daarvoor gelden in Frankrijk) getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat inzet van interceptietool meebracht dat ook gegevens van EncroChat-toestellen die zich op moment van interceptie in Nederland bevonden, werden verzameld en gekopieerd, leidt daarbij niet tot ander oordeel. Die omstandigheid doet er immers niet aan af dat inzet van interceptietool, met daaropvolgende onderscheppen en kopiëren van data en vervolgens delen van die data met Nederlandse politie, plaatsvond in en vanuit Frankrijk, terwijl omstandigheid ook niet met zich brengt dat verantwoordelijkheid voor inzet van interceptietool overgaat naar of mede komt te liggen bij autoriteiten van land waar gebruiker van toestel zich op dat moment bevindt. Ook art. 31 Richtlijn 2014/41/EU geeft geen aanleiding hierover anders te oordelen (vgl. HR:2023:913). Ad 3. Hof heeft geoordeeld dat niet sprake is van “enig vormverzuim dan wel enige onrechtmatigheid in onderzoek 26Lemont”. Hof heeft daarbij overwogen dat, nu geen sprake is van vormverzuim of onrechtmatigheid, hof niet zou hoeven toekomen aan bespreking van vertrouwensbeginsel. Hof heeft daarmee, voor zover het gaat om onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, beoordelingskader aangelegd dat niet (volledig) in overeenstemming is met wat in HR:2023:913 is uiteengezet. Voor onderzoek dat onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten is uitgevoerd, geldt namelijk dat vertrouwensbeginsel met zich brengt dat beslissingen van buitenlandse autoriteiten die aan verrichte onderzoek ten grondslag liggen, worden gerespecteerd en dat ervan wordt uitgegaan dat onderzoek rechtmatig is verricht. Beoordeling of zich bij dat onderzoek vormverzuim of onrechtmatigheid heeft voorgedaan, blijft daarbij dus achterwege. Dat is uitsluitend anders als in betreffend land onherroepelijk is komen vast te staan dat onderzoek niet in overeenstemming met daarvoor geldende rechtsregels is verricht. Rechter besteedt verder alleen aandacht aan wijze waarop resultaten van onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten verricht onderzoek zijn verkregen, als wijze van verkrijging van belang is voor beoordeling of gebruik voor bewijs van deze resultaten in overeenstemming is met recht op eerlijk proces. Waar het gaat om inzet en plaatsen van interceptietool en daarmee verkrijgen van EncroChat-data, volgt uit vaststellingen van hof dat e.e.a. plaatsvond onder verantwoordelijkheid van Franse en dus buitenlandse autoriteiten en dat in Frankrijk niet onherroepelijk is komen vast te staan dat inzet en plaatsen van interceptietool niet in overeenstemming met daarvoor geldende rechtsregels heeft plaatsgevonden. Aan hof kwam daarom geen oordeel toe of zich vormverzuim of onrechtmatigheid heeft voorgedaan bij die verkrijging van EncroChat-data. Dat brengt echter niet met zich dat beslissing die hof heeft genomen op verweer dat is gevoerd over rechtmatigheid van deze verkrijging van EncroChat-data, onjuist of onbegrijpelijk is. Gelet op zojuist genoemde vaststellingen en in aanmerking genomen wat vertrouwensbeginsel met zich brengt, heeft hof dat verweer terecht verworpen. Hof heeft verder geoordeeld dat procedure in haar geheel voldoet aan door art. 6 EVRM gewaarborgd recht op eerlijk proces en daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij dat oordeel heeft hof betrokken dat EncroChat-dataset die betrekking heeft op deze zaak, woordelijk uitgewerkt in dossier is gevoegd en dat verdachte van inhoud daarvan kennis heeft kunnen nemen en zich daartegen heeft kunnen verdedigen. Oordeel van hof getuigt, gelet op wat in HR:2023:913 is overwogen, niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Dat technische informatie over inzet van interceptietool van EncroChat niet in dossier is gevoegd, leidt niet tot ander oordeel. Betreffende stukken houden immers verband met (onderbouwing van) verweer over rechtmatigheid van toepassing van onder verantwoordelijkheid van Franse autoriteiten verrichte onderzoek en dus met verweer op punt waarover Nederlandse strafrechter geen oordeel toekomt, zodat stukken niet relevant (konden) zijn voor door hof te nemen beslissingen. Aan ’s hofs oordeel dat procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op eerlijk proces, staat ook niet in de weg dat hof verzoek van verdediging tot verstrekken van afschrift van integrale dataset uit onderzoek 26Lemont heeft afgewezen. Hof heeft immers (niet onbegrijpelijk) aan afwijzing ten grondslag gelegd dat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom integrale dataset, die bestaat uit berichten van duizenden EncroChat-gebruikers, kan bijdragen aan beantwoording van vragen van art. 348 en 350 Sv in deze zaak, nog daargelaten dat voeging van data in dit geval ontoelaatbare inbreuk op art. 8 EVRM zou betekenen t.o.v. andere gebruikers. Ad 4. Bewezenverklaarde is door hof m.b.t. bedrag van € 11.000 gekwalificeerd als “witwassen”. Gelet op bewezenverklaring had het echter moeten worden gekwalificeerd als “medeplegen van witwassen”. Gelet op door hof opgelegde straf en motivering moet worden aangenomen dat hof, als het bij straftoemeting van juiste kwalificatie van feit zou zijn uitgegaan, niet lagere straf zou hebben opgelegd. Daarbij is van belang dat juiste kwalificatie van bewezenverklaarde niet leidt tot lager maximum van voor bewezenverklaarde feiten op te leggen straf. HR volstaat daarom met verbeterd lezen van kwalificatie van bewezenverklaarde. Ad 5. Art. 358.4 Sv bepaalt dat, als straf of maatregel wordt opgelegd, uitspraak wettelijke voorschriften vermeldt waarop deze is gegrond. Als vermelding ontbreekt in uitspraak, is sprake van evidente vergissing en kan uitspraak verbeterd worden gelezen. Daarom ontbreekt voldoende belang bij vernietiging van bestreden uitspraak (vgl. HR:2012:BX0146). Hof heeft verzuimd art. 10a Opiumwet te vermelden als wettelijk voorschrift waarop strafoplegging o.m. berust. HR leest bestreden uitspraak in zoverre verbeterd. Ad 6. In schriftuur worden verzoeken gedaan tot stellen van prejudiciële vragen aan Hof van Justitie. V.zv. opgeworpen vragen relevant zijn voor uitkomst van geschil, kan voorleggen van vragen aan HvJ achterwege blijven omdat deze kunnen worden beantwoord aan hand van rechtspraak van HvJ dan wel geen twijfel kan bestaan over wijze waarop deze vragen over betrokken Unierechtelijke rechtsregel moeten worden opgelost. HR verwijst hierbij naar HR:2023:913, waarin HR (mede o.g.v. rechtspraak van HvJ) uitleg heeft gegeven over belang van Richtlijn 2002/58/EG en Richtlijn (EU) 2016/680. HR ziet verder geen aanleiding om EHRM te verzoeken advies uit te brengen over principiële vragen inzake uitlegging of toepassing van rechten en vrijheden die zijn omschreven in EVRM of protocollen daarbij. N.a.v. namens verdachte ingediende reactie op CAG merkt HR nog op dat ook uitspraak van EHRM nr. 15669/20 (Yüksel Yalçinkaya/Turkije) in relatie tot bestreden uitspraak geen aanleiding geeft tot doen van zo’n verzoek. Door EHRM uiteengezette “general principles” zijn al betrokken in HR:2023:913. In cassatie voorliggende zaak verschilt bovendien sterk van zaak die aan orde was in deze uitspraak van EHRM. Daarin ging het immers om veroordeling van klager o.g.v. gebruik dat hij maakte van specifieke applicatie voor cryptocommunicatie en mogelijkheden om in dat verband authenticiteit en integriteit van bewijs voor dat gebruik te betwisten. Bewijsvergaring onder verantwoordelijkheid van buitenlandse autoriteiten was daarbij niet aan orde. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913
- Rb. Noord-Nederland 19 december 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:4797
- HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:900
- HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612
- Conclusie A-G Harteveld 8 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:219
- Rb. Limburg 26 januari 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:558
- HR 16 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:218
- HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889
- HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1890
- HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146
- HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629
- HR 8 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4741
- CCASS, ECLI:FR:CCASS:2022:CR01226