Art. 8 Verordening (EU) 2021/267, Verlenging van de in Verordening (EG) nr. 1073/2009 vastgestelde termijnen

Verordening (EU) 2021/267

1. Niettegenstaande artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1073/2009, wordt de geldigheid van communautaire vergunningen die anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021, geacht te worden of te zijn verlengd met een periode van tien maanden. Voor eensluidend gewaarmerkte afschriften blijven dienovereenkomstig geldig.

2. Niettegenstaande artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1073/2009 neemt de vergunningverlenende autoriteit binnen zes maanden na de indiening een beslissing over aanvragen voor een vergunning voor geregeld vervoer die door de vervoerder zijn ingediend tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021. Niettegenstaande artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1073/2009 stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waaraan overeenkomstig lid 1 van dat artikel instemming met dergelijke aanvragen wordt gevraagd, de vergunningverlenende instantie binnen drie maanden na de aanvraag in kennis van hun beslissing. Als de vergunningverlenende instantie binnen drie maanden geen antwoord krijgt, worden de geraadpleegde autoriteiten geacht hun instemming te hebben gegeven, en kan de vergunningverlenende instantie de vergunning verlenen.

3. Een lidstaat die van oordeel is dat de verlenging van communautaire vergunningen waarschijnlijk tot na 30 juni 2021 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kan een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd de in lid 1 genoemde termijnen te verlengen. Dat verzoek kan betrekking hebben op de periode tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021 en/of op de periode van tien maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 31 mei 2021 bij de Commissie worden ingediend.

4. Als de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 3 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan en dat de gevraagde verlenging geen onevenredige risico’s inhoudt voor de veiligheid en de beveiliging van het vervoer, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in lid 1 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt ter weerspiegeling van de periode waarin de verlenging van communautaire vergunningen naar verwachting onmogelijk zal blijven, en mag in geen geval langer zijn dan zes maanden.

De Commissie maakt dat besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

5. Als een lidstaat geen moeilijkheden heeft ondervonden en naar verwachting geen moeilijkheden zal ondervinden die de vernieuwing van communautaire vergunningen tijdens de periode tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021 onmogelijk maken als gevolg van de door het voortduren van de COVID-19-crisis veroorzaakte buitengewone omstandigheden, of passende nationale maatregelen heeft genomen om dergelijke moeilijkheden te beperken, kan die lidstaat besluiten lid 1 niet toe te passen. De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk 3 maart 2021 [acht dagen na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in kennis van zijn besluit. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis en publiceert een kennisgeving in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De lidstaat die zoals bepaald in de eerste alinea van dit lid besloten heeft lid 1 niet toe te passen, mag de grensoverschrijdende activiteiten van marktdeelnemers of personen die hebben vertrouwd op de in lid 1 vervatte afwijkingen die van toepassing zijn in een andere lidstaat, niet belemmeren.

Vorige artikelen

Volgende artikelen