Art. 12 Verordening (EU) 2021/267, Verlenging van de in Richtlijn 2012/34/EU vastgestelde termijnen
1. Niettegenstaande artikel 23, lid 2, van Richtlijn 2012/34/EU, als een vergunningverlenende autoriteit heeft bepaald dat een vergunning regelmatig aan een nieuw onderzoek wordt onderworpen, worden de termijnen voor het uitvoeren van een regelmatig onderzoek die overeenkomstig die bepalingen anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021, geacht te worden of te zijn verlengd met een periode van tien maanden.
2. Niettegenstaande artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2012/34/EU, wordt de geldigheid van tijdelijke vergunningen die anders zouden zijn verstreken of zouden verstrijken tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021, geacht te worden of te zijn verlengd met een periode van tien maanden vanaf de in die tijdelijke vergunningen vermelde vervaldatum.
3. Niettegenstaande artikel 25, lid 2, van Richtlijn 2012/34/EU neemt de vergunningverlenende autoriteit met betrekking tot in de periode tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021 ingediende aanvragen een besluit uiterlijk tien maanden nadat alle relevante informatie, met name de in bijlage III bij die richtlijn bedoelde gegevens, is verstrekt.
4. Als een lidstaat van oordeel is dat het voeren van een regelmatig onderzoek of het beëindigen van de schorsing van vergunningen of de afgifte van nieuwe vergunningen, na een eerdere intrekking, waarschijnlijk tot na 30 juni 2021 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kan hij een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd de in lid 1 en lid 2 genoemde termijnen, naargelang het geval, te verlengen. Dat verzoek kan betrekking hebben op de periode tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021 en/of op de periode van tien maanden. Verzoeken moeten uiterlijk 31 mei 2021 bij de Commissie worden ingediend.
5. Als de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 4 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan en dat de gevraagde verlenging geen onevenredige risico’s inhoudt voor de veiligheid en de beveiliging van het vervoer, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de respectievelijk in de leden 1 en 2 genoemde termijnen te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt ter weerspiegeling van de periode waarin de beëindiging van de schorsing van vergunningen of de afgifte van nieuwe vergunningen in gevallen waarin vergunningen voorheen zijn ingetrokken, naar verwachting onmogelijk zal blijven, en mag in geen geval langer zijn dan zes maanden.
De Commissie maakt dat besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
6. Als een lidstaat geen moeilijkheden heeft ondervonden en naar verwachting geen moeilijkheden zal ondervinden die het voeren van een regelmatig onderzoek of het beëindigen van de schorsing van vergunningen of de afgifte van nieuwe vergunningen, na een eerdere intrekking, tijdens de periode tussen 1 september 2020 en 30 juni 2021 onmogelijk maken als gevolg van de door het voortduren van de COVID-19-crisis veroorzaakte buitengewone omstandigheden, of passende nationale maatregelen heeft genomen om dergelijke moeilijkheden te beperken, kan die lidstaat besluiten de leden 1 en 2 niet toe te passen. De lidstaat stelt de Commissie uiterlijk op 3 maart 2021 in kennis van zijn besluit. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis en publiceert een kennisgeving in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De lidstaat die zoals bepaald in de eerste alinea van dit lid besloten heeft de leden 1 en 2 niet toe te passen, mag de grensoverschrijdende activiteiten van marktdeelnemers of personen die hebben vertrouwd op de in de leden 1 en 2 vervatte afwijkingen die van toepassing zijn in een andere lidstaat, niet belemmeren.