Art. 4 Verordening (EU) 2020/698, Verlenging van de in Verordening (EU) nr. 165/2014 vastgestelde termijnen

Verordening (EU) 2020/698

1. Niettegenstaande artikel 23 van Verordening (EU) nr. 165/2014 worden de in lid 1 van dat artikel bedoelde regelmatige inspecties die overeenkomstig dat lid anders hadden moeten of zouden moeten plaatsvinden tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020, uitgevoerd uiterlijk zes maanden na de datum waarop zij overeenkomstig dat artikel anders hadden moeten plaatsvinden.

2. Niettegenstaande artikel 28 van Verordening (EU) nr. 165/2014 geven de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, wanneer een bestuurder tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 overeenkomstig lid 1 van dat artikel een aanvraag voor de vernieuwing van zijn of haar bestuurderskaart indient, uiterlijk twee maanden na ontvangst van dat verzoek een nieuwe bestuurderskaart af. Totdat de bestuurder een nieuwe bestuurderskaart ontvangt van de autoriteiten die de kaart afgeven, is artikel 35, lid 2, van die verordening van overeenkomstige toepassing op de bestuurder, op voorwaarde dat de bestuurder kan aantonen dat de vernieuwing van de bestuurderskaart werd aangevraagd overeenkomstig artikel 28, lid 1, van die verordening.

3. Niettegenstaande artikel 29, lid 4, van Verordening (EU) nr. 165/2014, geven de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, wanneer een bestuurder tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 overeenkomstig lid 4 van dat artikel een aanvraag voor de vervanging van een bestuurderskaart indient, uiterlijk twee maanden na ontvangst van het verzoek een vervangende kaart af. Niettegenstaande artikel 29, lid 5, van Verordening (EU) nr. 165/2014 mag de bestuurder blijven rijden tot hij of zij van de autoriteiten die de bestuurderskaart afgeven een nieuwe kaart ontvangt, mits de bestuurder kan aantonen dat hij of zij de bestuurderskaart naar de bevoegde autoriteit heeft teruggezonden wanneer deze defect of beschadigd was en een nieuwe kaart heeft aangevraagd.

4. Een lidstaat die van oordeel is dat regelmatige inspecties of de vernieuwing of vervanging van bestuurderskaarten zoals vereist door Verordening (EU) nr. 165/2014 waarschijnlijk tot na 31 augustus 2020 onmogelijk zal blijven door de maatregelen die hij heeft genomen om de verspreiding van COVID-19 te voorkomen of te beperken, kan een met redenen omkleed verzoek indienen om te worden gemachtigd om de in de leden 1, 2 en 3 genoemde perioden, naargelang het geval, te verlengen. Dat verzoek kan betrekking hebben op de periode tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 en/of de toepasselijke termijnen voor de afgifte van een nieuwe bestuurderskaart. Verzoeken moeten uiterlijk op 1 augustus 2020 bij de Commissie worden ingediend.

5. Indien de Commissie op basis van een overeenkomstig lid 4 ingediend verzoek oordeelt dat aan de in dat lid vastgestelde eisen is voldaan, stelt zij een besluit vast waarbij de betrokken lidstaat wordt gemachtigd de in de leden 1, 2 en 3 genoemde perioden te verlengen, overeenkomstig de rechtvaardiging voor elk specifiek geval. De verlenging wordt beperkt ter weerspiegeling van de periode waarin de regelmatige inspecties of de vernieuwing dan wel de vervanging van bestuurderskaarten naar verwachting onmogelijk zal zijn, en mag in geen geval langer zijn dan zes maanden.

De Commissie maakt dat besluit bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.

6. Wanneer een lidstaat geen moeilijkheden heeft gekend en naar verwachting geen moeilijkheden zal kennen die regelmatige inspecties of de vernieuwing of vervanging van bestuurderskaarten tijdens de periode tussen 1 maart 2020 en 31 augustus 2020 onmogelijk maken als gevolg van de buitengewone omstandigheden veroorzaakt door de uitbraak van COVID-19, dan wel passende nationale maatregelen heeft genomen om dergelijke moeilijkheden te beperken, kan die lidstaat besluiten de leden 1, 2 en 3 niet toe te passen nadat hij dit eerst aan de Commissie heeft meegedeeld. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis en publiceert een kennisgeving in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De lidstaat die zoals bepaald in de eerste alinea besloten heeft de leden 1, 2 en 3 niet toe te passen, mag de grensoverschrijdende activiteiten van marktdeelnemers of personen die hebben vertrouwd op de in de leden 1, 2 en 3 vervatte afwijkingen die van toepassing zijn in een andere lidstaat, niet beletten.

Vorige artikelen

Volgende artikelen