Art. 137 Verordening (EU) 2018/1046, Verklaring en bewijs dat er geen sprake is van een uitsluitingssituatie
1. Een deelnemer verklaart of hij al dan niet in een van de in artikel 136, lid 1, en in artikel 141, lid 1, bedoelde situaties verkeert en, in voorkomend geval, of hij al dan niet de in artikel 136, lid 6, eerste alinea, onder a), bedoelde corrigerende maatregelen heeft getroffen.
Een deelnemer verklaart tevens of de volgende personen of entiteiten zich al dan niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder c) tot en met h) bedoelde uitsluitingssituaties bevinden:
a) natuurlijke personen of rechtspersonen die lid zijn van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de deelnemer of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid hebben ten aanzien van die deelnemer;
b) uiteindelijk begunstigden van de deelnemer in de zin van artikel 3, punt 6, van Richtlijn (EU) 2015/849.
De deelnemer of ontvanger stelt de bevoegde ordonnateur onverwijld in kennis van veranderingen in de gemelde situaties.
In voorkomend geval verstrekt de gegadigde of inschrijver dezelfde verklaringen welke bedoeld zijn in de eerste en tweede alinea, ondertekend door een subcontractant of door enige andere entiteit waarop hij voornemens is een beroep te doen, naargelang het geval.
De bevoegde ordonnateur verlangt de in de eerste en de tweede alinea bedoelde verklaringen niet wanneer dergelijke verklaringen reeds in het kader van een andere toekenningsprocedure zijn ingediend, op voorwaarde dat de situatie niet is veranderd en dat sinds de datum van afgifte van de verklaringen niet meer dan een jaar is verstreken.
De bevoegde ordonnateur mag voor overeenkomsten van zeer geringe waarde die het in punt 14.4 van bijlage I bedoelde bedrag niet overschrijden, vrijstelling toekennen van de bepalingen van de eerste en tweede alinea.
2. Wanneer de bevoegde ordonnateur erom verzoekt en dit noodzakelijk is voor het goede verloop van de procedure verstrekken de deelnemer, de subcontractant of de entiteit waarop de gegadigde of inschrijver voornemens is een beroep te doen:
a) afdoend bewijs dat hij/zij niet in een van de in artikel 136, lid 1, vermelde uitsluitingssituaties verkeert;
b) informatie over natuurlijke personen of rechtspersonen die lid zijn van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van de deelnemer of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid ten aanzien van die deelnemer hebben, met inbegrip van personen en entiteiten binnen de eigendoms- en controlestructuur en uiteindelijk begunstigden, en afdoend bewijs dat geen van deze personen in een van de in artikel 136, lid 1, onder c) tot en met f), vermelde uitsluitingssituaties verkeren;
c) afdoend bewijs dat natuurlijke personen of rechtspersonen die onbeperkt aansprakelijk zijn voor de schulden van die deelnemer, niet in een in artikel 136, lid 1, onder a) of b), vermelde uitsluitingssituatie verkeren.
3. In voorkomend geval en overeenkomstig het nationale recht mag de bevoegde ordonnateur als afdoende bewijs dat een in lid 2 bedoelde deelnemer of entiteit niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder a), c), d), f) g) en h), bedoelde uitsluitingssituaties verkeert, een recent uittreksel uit het strafregister aanvaarden of, bij gebreke daarvan, een recent gelijkwaardig document van een gerechtelijke of administratieve autoriteit van het land van vestiging waaruit blijkt dat aan deze eisen is voldaan.
De bevoegde ordonnateur mag als afdoende bewijs dat een in lid 2 bedoelde deelnemer of entiteit niet in één van de in artikel 136, lid 1, onder a) en b), bedoelde uitsluitingssituatie verkeert, een recent door de bevoegde autoriteit van het land van vestiging afgegeven getuigschrift aanvaarden. Wanneer dergelijke getuigschriften niet in het land van vestiging worden afgegeven, mag de deelnemer een ten overstaan van een notaris of een gerechtelijke autoriteit onder ede afgelegde verklaring verstrekken of, bij gebreke daarvan, een ten overstaan van een administratieve autoriteit of een gekwalificeerde beroepsorganisatie in zijn land van vestiging afgelegde plechtige verklaring.
4. De bevoegde ordonnateur stelt een in lid 2 bedoelde deelnemer of entiteit vrij van de verplichting bewijsstukken in te dienen, als bedoeld in de leden 2 en 3:
a) indien hij of zij toegang kan krijgen tot die bewijsstukken in een gratis toegankelijke nationale databank;
b) indien deze bewijsstukken reeds in het kader van een andere procedure zijn ingediend en mits de documenten nog geldig zijn en er sinds de datum van afgifte van de documenten niet meer dan een jaar is verstreken;
c) indien hij of zij erkent dat het materieel onmogelijk is dergelijk bewijs te verschaffen.
5. De leden 1 tot en met 4 van dit artikel zijn niet van toepassing op personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), of op organen van de Unie als bedoeld in de artikelen 70 en 71.
Voor financieringsinstrumenten, bij ontstentenis van regels en procedures die volledig gelijkwaardig zijn aan de in artikel 154, lid 4, eerste alinea, onder d), bedoelde regels en procedures, verstrekken eindbegunstigden en intermediairs de persoon of entiteit die middelen van de Unie uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), een ondertekende verklaring op erewoord ter bevestiging dat zij niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder a) tot en met d), g) en h), of artikel 141, lid 1, eerste alinea, onder b) en c), bedoelde situaties verkeren noch in een situatie die na de overeenkomstig artikel 154, lid 4, uitgevoerde beoordeling daarmee gelijk wordt bevonden.
Indien financieringsinstrumenten bij wijze van uitzondering worden uitgevoerd op grond van artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a), verstrekken eindontvangers aan financieel intermediairs een ondertekende verklaring op erewoord ter bevestiging dat zij niet in een van de in artikel 136, lid 1, onder a) tot en met d), g) en h), of artikel 141, lid 1, eerste alinea, onder b) en c), bedoelde situaties verkeren.