Art. 6 Verordening (EU) 2017/2403, Omvlagging
1. Dit artikel is van toepassing op vaartuigen die tijdens de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag voor een vismachtiging:
a) uit het vissersvlootregister van de Unie zijn geschrapt en naar een derde land zijn omgevlagd, en
b) opnieuw in het vissersvlootregister van de Unie zijn opgenomen.
2. Een vlaggenlidstaat mag enkel een vismachtiging afgeven indien hij heeft vastgesteld dat het in lid 1 bedoelde vaartuig gedurende de periode dat het actief was onder de vlag van een derde land:
a) geen IOO-visserij heeft bedreven;
b) niet actief was in de wateren van een derde land dat op grond van artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1026/2012 van het Europees Parlement en de Raad (15) is aangemerkt als een land dat niet-duurzame visserij toelaat;
c) niet actief was in de wateren van een derde land dat op grond van artikel 33 van de IOO-verordening is aangemerkt als niet-meewerkend;
d) niet actief was in wateren van een derde land dat op grond van artikel 31 van de IOO-verordening is aangemerkt als niet aan de bestrijding van IOO-visserij meewerkend vanaf zes weken nadat het besluit van de Commissie daartoe is vastgesteld, tenzij voor activiteiten die werden verricht in het geval dat de Raad een voorstel om dat derde land op grond van artikel 33 van die verordening als niet-meewerkend aan te merken, heeft verworpen.
3. Daartoe verstrekt een exploitant de volgende door de vlaggenlidstaat verlangde informatie met betrekking tot de periode waarin het vaartuig onder de vlag van een derde land actief was:
a) een aangifte van de vangsten en visserijinspanningen gedurende de betreffende periode, zoals verlangd door het derde land waarvan het vaartuig de vlag voerde;
b) een kopie van de vismachtigingen op grond waarvan gedurende de betreffende periode visserijactiviteiten waren toegestaan;
c) een officiële verklaring van het derde land waarnaar het vaartuig is omgevlagd en waarin de sancties zijn opgesomd waaraan het vaartuig of de exploitant gedurende de betreffende periode onderworpen waren;
d) de volledige antecedenten inzake vlagvoering voor de periode dat het vaartuig niet in het vlootregister van de Unie opgenomen was.
4. Een vlaggenlidstaat geeft geen vismachtiging af aan een vaartuig dat is omgevlagd naar een derde land dat:
a) op grond van artikel 33 van de IOO-verordening is aangemerkt als niet aan de bestrijding van IOO-visserij meewerkend;
b) op grond van artikel 31 van de IOO-verordening is aangemerkt als niet aan de bestrijding van IOO-visserij meewerkend vanaf zes weken nadat de het besluit van de Commissie daartoe is vastgesteld, tenzij voor activiteiten die werden verricht in het geval dat de Raad een voorstel om dat derde land op grond van artikel 33 van die verordening als niet-meewerkend aan te merken, heeft verworpen, of
c) op grond van artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1026/2012 is aangemerkt als een land dat niet-duurzame visserij toelaat.
5. Lid 4 is niet van toepassing indien de vlaggenlidstaat ervan overtuigd is dat, zodra de in lid 2, onder b) tot en met d), of lid 4, onder a) tot en met c), bedoelde omstandigheden van toepassing zijn, de exploitant:
a) de visserijactiviteiten heeft stopgezet, en
b) onmiddellijk de betreffende administratieve procedures om het vaartuig uit het vissersvlootregister van het derde land te schrappen, heeft ingeleid.