Art. 15 Verordening (EU) 2017/2196, Automatische onderfrequentie-controleregeling
1. De regeling voor automatische controle van de onderfrequentie van het systeembeschermingsplan omvat een regeling voor automatische ontkoppeling van verbruik bij lage frequentie en de instelling van de gelimiteerde frequentiegevoelige modus — onderfrequentie in de belastingfrequentieregelzone (LFC-zone) van de TSB.
2. Bij de opzet van zijn systeembeschermingsplan zorgt elke TSB voor de activering van de gelimiteerde frequentiegevoelige modus — onderfrequentie voordat de regeling voor de automatische lagefrequentieverbruiksontkoppeling wordt geactiveerd, wanneer de frequentiegradiënt dit mogelijk maakt.
3. Vóór de activering van de regeling voor automatische ontkoppeling van verbruik bij lage frequentie zorgt elke krachtens artikel 11, lid 4, aangewezen TSB en DSB ervoor dat als belasting functionerende op zijn systeem aangesloten energieopslageenheden:
a) automatisch overschakelen naar de opwekkingsmodus binnen de gestelde termijn en tot op een door de TSB in het systeembeschermingsplan vastgesteld instelpunt voor het opgewekte werkzame vermogen, of
b) wanneer de energieopslageenheid niet in staat is binnen de door de TSB in het systeembeschermingsplan gestelde termijn over te schakelen, de als belasting functionerende energieopslageenheid automatisch ontkoppelen.
4. Elke TSB stelt in zijn systeembeschermingsplan de frequentiedrempels vast waarop de automatische overschakeling of ontkoppeling van energieopslageenheden moet plaatsvinden. Deze frequentiedrempels zijn lager dan of gelijk aan de in artikel 18, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1485 vastgestelde systeemfrequentielimiet voor de noodtoestand en hoger dan de frequentielimiet voor het in de bijlage vastgestelde bindende startniveau voor verbruiksontkoppeling.
5. Elke TSB stelt de regeling voor automatische verbruiksontkoppeling bij lage frequentie op in overeenstemming met de in de bijlage vastgestelde parameters voor belastingsafschakeling in real time. De regeling omvat de verbruiksontkoppeling op verschillende frequenties, gaande van een „bindend startniveau” tot een „bindend eindniveau” binnen een toepassingsbereik met inachtneming van een minimumaantal en een maximale omvang van de stappen. Het toepassingsbereik bepaalt de maximaal toelaatbare afwijking van het te ontkoppelen nettoverbruik, ten opzichte van het tegen een bepaalde frequentie te ontkoppelen nettodoelverbruik, berekend aan de hand van een lineaire interpolatie tussen de bindende start- en eindniveaus. Het toepassingsbereik biedt geen mogelijkheid tot ontkoppeling van minder nettoverbruik dan de hoeveelheid te ontkoppelen nettoverbruik op het bindende startniveau. Een stap kan niet als zodanig worden beschouwd indien er geen nettoverbruik wordt ontkoppeld wanneer deze stap wordt bereikt.
6. Elke TSB of DSB installeert de relais die noodzakelijk zijn voor verbruiksontkoppeling bij lage frequentie rekening houdend met ten minste het gedrag van belasting en verspreide elektriciteitsopwekking.
7. Bij de uitvoering van de regeling voor automatische verbruiksontkoppeling bij lage frequentie op grond van de kennisgeving in de zin van artikel 12, lid 2, onderneemt elke TSB of de DSB het volgende:
a) hij vermijdt een opzettelijke vertraging in te voeren naast de activeringstijd van de relais en vermogensschakelaars;
b) hij beperkt de ontkoppeling van de elektriciteitsproductie-eenheden tot een minimum, met name wanneer deze inertie leveren, en
c) hij beperkt het risico dat de regeling leidt tot afwijkingen van de elektriciteitsstromen en van de spanning buiten operationele veiligheidsgrenzen.
Indien een DSB niet aan de onder b) en c) vastgestelde vereisten kan voldoen, stelt hij de TSB daarvan in kennis en stelt hij voor welk vereiste wordt toegepast. De TSB bepaalt in overleg met de DSB de toepasselijke vereisten op basis van een gezamenlijke kosten-batenanalyse.
8. De regeling voor automatische verbruiksontkoppeling bij lage frequentie van het systeembeschermingsplan kan voorzien in ontkoppeling van nettoverbruik op basis van de frequentiegradiënt, mits:
a) deze alleen wordt geactiveerd:
i) wanneer de frequentieafwijking hoger is dan de maximale frequentieafwijking in stationaire toestand en de frequentiegradiënt hoger is dan die welke is voortgebracht door de referentie-uitvalsituatie;
ii) totdat de frequentie van het bindende startniveau voor verbruiksontkoppeling wordt bereikt;
b) deze voldoet aan de bijlage, en
c) deze noodzakelijk en gerechtvaardigd is om de operationele veiligheid efficiënt te handhaven.
9. Ingeval de regeling voor automatische verbruiksontkoppeling bij lage frequentie van het systeembeschermingsplan een ontkoppeling van het nettoverbruik op basis van de frequentiegradiënt inhoudt, zoals beschreven in lid 8, legt de TSB binnen 30 dagen na de uitvoering een verslag met een gedetailleerde toelichting over de motivering, de uitvoering en de effecten van deze maatregel voor aan de nationale regelgevende instantie.
10. Een TSB kan in de regeling voor automatische verbruiksontkoppeling bij lage frequentie van zijn systeembeschermingsplan voorzien in aanvullende maatregelen voor ontkoppeling van het nettoverbruik onder het bindende eindniveau van verbruiksontkoppeling zoals bepaald in de bijlage.
11. Elke TSB kan bijkomende systeembeschermingsregelingen toepassen die in gang worden gezet bij een frequentie kleiner dan of gelijk aan de frequentie van het bindende eindniveau van verbruiksontkoppeling en die gericht zijn op een sneller herstelproces. De TSB zorgt ervoor dat deze aanvullende regelingen de frequentie niet verder doen verslechteren.