Art. 15 Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177, Ongebruikte voorzieningen
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177
1. Dienstvoorzieningen als genoemd in punt 2 van bijlage II bij Richtlijn 2012/34/EU die gedurende twee opeenvolgende jaren niet zijn gebruikt, worden via een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling aangeboden voor leasing of verhuring. Informatie over ongebruikte voorzieningen wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 5.
2. De in lid 1 bedoelde termijn van twee jaar gaat in op de dag volgende op de dag waarop in de voorziening voor het laatst een spoorgebonden dienst werd verricht.
3. Een aanvrager die gebruik wenst te maken van een dienstvoorziening als genoemd in punt 2 van bijlage II bij Richtlijn 2012/34/EU die gedurende minstens twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt, stelt de exploitant van de betrokken voorziening schriftelijk in kennis van zijn belangstelling en brengt ook de toezichthoudende instantie daarvan op de hoogte. In een dergelijke blijk van belangstelling moeten de behoeften van de betrokken spoorwegonderneming worden aangetoond. De exploitant van de dienstvoorziening kan besluiten zijn activiteiten te hervatten teneinde in te spelen op de door de spoorwegonderneming aangetoonde behoeften.
4. Indien de eigenaar van de dienstvoorziening die voorziening niet exploiteert, stelt de exploitant van die voorziening de eigenaar in kennis van de blijk van belangstelling binnen tien dagen na ontvangst daarvan. De eigenaar van de faciliteit maakt bekend dat de voorziening, volledig of gedeeltelijk, beschikbaar is voor leasing of verhuring, tenzij de exploitant van de dienstvoorziening na de blijk van belangstelling heeft besloten zijn activiteiten te hervatten.
5. Vóór deze bekendmaking mag de eigenaar van de dienstvoorziening de exploitant van de dienstvoorziening de gelegenheid bieden binnen een termijn van vier weken opmerkingen over die bekendmaking te formuleren. De exploitant kan bezwaar maken tegen de bekendmaking door de indiening van documenten waaruit blijkt dat de voorziening het voorwerp uitmaakt van een herbestemmingsproces dat reeds voor de blijk van belangstelling was gestart.
6. De toezichthoudende instantie wordt door de eigenaar in kennis gesteld van dat herbestemmingsproces en kan de exploitant verzoeken documenten over te leggen om zich ervan te vergewissen dat het om een geloofwaardig project gaat.
Indien die beoordeling negatief is, verplicht de toezichthoudende instantie de exploitant van de voorziening bekend te maken dat de voorziening volledig of gedeeltelijk beschikbaar is voor leasing of verhuring.
7. Onverminderd de regels inzake openbare aanbestedingen, publiceert de eigenaar van een dienstvoorziening als genoemd in punt 2 van bijlage II bij Richtlijn 2012/34/EU, op zijn portaalsite een bericht over de leasing of verhuring van de betrokken dienstvoorziening en stelt hij de toezichthoudende instantie en de infrastructuurbeheerder op wiens netwerk de voorziening is aangesloten daarvan in kennis. De bekendmaking bevat alle nodige informatie die belangstellende ondernemingen nodig hebben om een offerte te kunnen indienen met het oog op een volledige of gedeeltelijke overname van de exploitatie van de voorziening. Deze informatie omvat met name:
a) nadere informatie over de selectieprocedure, die transparant en niet-discriminerend moet zijn en waarbij rekening moet worden gehouden met de doelstelling om de capaciteit van de voorziening optimaal en effectief te benutten;
b) de selectiecriteria;
c) de belangrijkste kenmerken van de technische uitrusting van de dienstvoorziening;
d) het adres en de termijn voor de indiening van de offertes, die na de publicatie van de kennisgeving minstens 30 dagen bedraagt.
8. De betrokken infrastructuurbeheerder publiceert op zijn portaalsite de in lid 7 bedoelde informatie.
9. Onverminderd geldende regels inzake openbare aanbestedingen, selecteert de eigenaar van een dienstvoorziening als genoemd in punt 2 van bijlage II bij Richtlijn 2012/34/EU een kandidaat en formuleert hij onverwijld een redelijk bod.
10. De lidstaten kunnen bestaande procedures toepassen voor de officiële controle op de ontmanteling van dienstvoorzieningen. In dit geval kan de toezichthoudende instantie afwijkingen toestaan van de toepassing van de bepalingen van dit artikel.