HvJ EU 15 juli 2021, C-60/20, ECLI:EU:C:2021:610
Tekst
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
15 juli 2021 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Spoorwegvervoer – Richtlijn 2012/34/EU – Eén Europese spoorwegruimte – Artikel 13, leden 2 en 6 – Toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden diensten – Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177 – Herbestemming van voorzieningen – Bevoegdheden van de toezichthoudende instantie”
In zaak C‑60/20,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland) bij beslissing van 30 januari 2020, ingekomen bij het Hof op 5 februari 2020, in de procedure
„Latvijas dzelzceļš” VAS
tegen
Valsts dzelzceļa administrācija,
in tegenwoordigheid van:
„Baltijas Ekspresis” AS,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, M. Ilešič, E. Juhász (rapporteur), C. Lycourgos en I. Jarukaitis, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
– „Latvijas dzelzceļš” VAS, vertegenwoordigd door D. Driče, advokāte,
– Valsts dzelzceļa administrācija, vertegenwoordigd door J. Zālītis en J. Zicāns,
– „Baltijas Ekspresis” AS, vertegenwoordigd door O. Jonāns, advokāts,
– de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door L. Ozola, C. Vrignon en W. Mölls, vervolgens door L. Ozola en C. Vrignon als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 25 februari 2021,
het navolgende
Arrest
1 Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 13, leden 2 en 6, van richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB 2012, L 343, blz. 32), en artikel 15, leden 5 en 6, van uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177 van de Commissie van 22 november 2017 betreffende de toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden diensten (PB 2017, L 307, blz. 1).
2 Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen „Latvijas Dzelzceļš” VAS en de Valsts dzelzceļa administrācija (nationale toezichthoudende instantie, Letland; hierna: „nationale toezichthoudende instantie”) over de beslissing van laatstgenoemde waarbij Latvijas Dzelzceļš, als beheerder van de openbare spoorweginfrastructuur in Letland, is gelast de spoorwegonderneming „Baltijas Ekspresis” AS toegang te waarborgen tot het depot in Ventspils (Letland), als „dienstvoorziening”, in de zin van de toepasselijke regeling inzake het spoorvervoer.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2012/34
3 Artikel 3 van richtlijn 2012/34, met als opschrift „Definities”, bepaalt het volgende: „In deze richtlijn wordt verstaan onder: [...] 11) ‚dienstvoorziening’: de installatie, inclusief terrein, gebouw en uitrusting, die in haar geheel of gedeeltelijk speciaal is ingericht voor het verrichten van een of meer diensten als bedoeld in bijlage II, punten 2 tot en met 4; 12) ‚exploitant van een dienstvoorziening’: iedere publieke of privaatrechtelijke entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer van een of meer dienstvoorzieningen of voor het verrichten van een of meer diensten voor spoorwegondernemingen als bedoeld in bijlage II, punten 2 tot en met 4; [...]”
4 Artikel 13 van deze richtlijn, „Voorwaarden voor de toegang tot diensten”, bepaalt in leden 2 en 6: „2. Exploitanten van dienstvoorzieningen verlenen alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze toegang, inclusief toegang via het spoor, tot de in bijlage II, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen en tot de in deze voorzieningen geleverde diensten. [...] 6. Wanneer de in bijlage II, punt 2, bedoelde dienstvoorziening gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt, en spoorwegondernemingen ten aanzien van de exploitant van die dienstvoorziening hun belangstelling hebben laten blijken voor toegang tot de voorziening, op basis van aangetoonde behoeften, biedt de eigenaar de exploitatie van de voorziening geheel of gedeeltelijk aan voor leasing, of verhuring als spoordienstvoorziening, tenzij de exploitant van die dienstvoorzieningen aantoont dat de voorziening vanwege een lopend reconversieproces niet door een spoorwegonderneming kan worden gebruikt.”
5 Artikel 27 van die richtlijn, „Netverklaring”, bepaalt het volgende: „1. De infrastructuurbeheerder stelt na overleg met de belanghebbenden een netverklaring op en maakt deze verklaring bekend, welke te verkrijgen is tegen betaling van een vergoeding die de kosten van bekendmaking ervan niet mag overschrijden. De netverklaring wordt in tenminste twee officiële talen van de [Europese] Unie bekendgemaakt. De inhoud van de netverklaring wordt kosteloos in elektronische vorm aangeboden op de portaalsite van de infrastructuurbeheerder, via een gemeenschappelijke portaalsite. Die portaalsite wordt door de infrastructuurbeheerders opgezet in het kader van hun samenwerking overeenkomstig de artikelen 37 en 40. 2. De netverklaring beschrijft de aard van de voor spoorwegondernemingen beschikbare infrastructuur, en bevat informatie over de voorwaarden voor toegang tot de betreffende spoorweginfrastructuur. De netverklaring bevat ook informatie over de voorwaarden voor toegang tot dienstvoorzieningen die zijn aangesloten op het netwerk van de infrastructuurbeheerder en voor de dienstverlening in die voorzieningen, of een verwijzing naar een website waarop deze informatie kosteloos in elektronische vorm wordt aangeboden. De inhoud van de netverklaring is opgenomen in bijlage IV. 3. De netverklaring wordt bijgewerkt en zo nodig gewijzigd. 4. De netverklaring wordt ten minste vier maanden vóór het verstrijken van de termijn voor de indiening van aanvragen voor infrastructuurcapaciteit bekendgemaakt.”
6 Bijlage II bij richtlijn 2012/34, die de lijst van „[a]an de spoorwegondernemingen te verlenen diensten (als bedoeld in artikel 13)” bevat, bepaalt in punt 2: „Er wordt toegang verleend, met inbegrip van toegang via het spoor, tot de hiernavolgende dienstvoorzieningen, indien deze bestaan, en tot de diensten verleend in die voorzieningen: a) passagiersstations, de gebouwen en andere voorzieningen daarvan, met inbegrip van de weergave van reisinformatie en passende locaties voor diensten in verband met kaartverkoop; b) vrachtterminals; c) rangeerstations en vormingsstations, met inbegrip van rangeervoorzieningen; d) remisestations; e) onderhoudsvoorzieningen, met uitzondering van dienstvoorzieningen voor groot onderhoud welke uitsluitend zijn bestemd voor hogesnelheidstreinen of andere typen rollend materieel waarvoor specifieke voorzieningen nodig zijn; f) andere technische voorzieningen, met inbegrip van schoonmaak- en wasvoorzieningen; g) met de spooractiviteiten verbonden zeehaven- en binnenhavenvoorzieningen; h) hulp- en ondersteuningsvoorzieningen; i) tankinstallaties en levering van brandstof in deze voorzieningen, waarbij de heffingen voor het gebruik van de tankinstallaties op de factuur afzonderlijk van de heffingen voor de levering van brandstof tot uitdrukking komen.”
Uitvoeringsverordening 2017/2177
7 Uitvoeringsverordening 2017/2177 is vastgesteld op basis van artikel 13, lid 9, van richtlijn 2012/34.
8 In artikel 17 van deze verordening, met als opschrift „Inwerkingtreding”, is bepaald: „Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 juni 2019. Artikel 2 is evenwel van toepassing met ingang van 1 januari 2019.”
Lets recht
9 De Dzelzceļa likums (spoorwegwet) van 1 april 1998 (Latvijas Vēstnesis, 1998, nr. 102/105), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „spoorwegwet”), strekt tot omzetting van richtlijn 2012/34 in Lets recht.
10 In artikel 1, punten 26 en 27, van de spoorwegwet worden de in deze wet gebruikte termen omschreven als volgt: „26) ‚dienstvoorziening’: de installatie (inclusief terrein, gebouw en uitrusting) die in haar geheel of gedeeltelijk speciaal is ingericht voor het verrichten van een of meer diensten als bedoeld in artikel 12.1, tweede tot en met vierde alinea, van deze wet; 27) ‚exploitant van een dienstvoorziening’: iedere ondernemer of structurele eenheid ervan die verantwoordelijk is voor het beheer van een of meer dienstvoorzieningen of voor het verrichten van een of meer diensten voor spoorwegondernemingen als bedoeld in artikel 12.1, tweede tot en met vierde alinea, van deze wet; [...]”
11 Artikel 12.1, lid 2, van de spoorwegwet bepaalt dat exploitanten van dienstvoorzieningen alle vervoerders op een niet-discriminerende wijze toegang (inclusief toegang via het spoor) moeten verlenen tot de hiernavolgende dienstvoorzieningen en, in voorkomend geval, tot de in deze voorzieningen geleverde diensten: „5) onderhoudsvoorzieningen, met uitzondering van dienstvoorzieningen voor groot onderhoud welke uitsluitend bestemd zijn voor andere typen rollend materieel waarvoor specifieke voorzieningen nodig zijn; 6) andere technische voorzieningen, met inbegrip van schoonmaak- en wasvoorzieningen voor rollend spoorwegmaterieel.”
12 Artikel 12.2, lid 7, van de spoorwegwet bepaalt dat wanneer een in artikel 12.1, tweede alinea, van deze wet bedoelde dienstvoorziening gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt en vervoersondernemingen ten aanzien van de exploitant van die dienstvoorziening hun belangstelling hebben laten blijken voor toegang tot de voorziening, op basis van aangetoonde behoeften, de eigenaar de exploitatie van de voorziening volledig of gedeeltelijk aanbiedt voor leasing of voor verhuring als dienstvoorziening, tenzij de exploitant van deze dienstvoorziening aantoont dat zij vanwege een lopend reconversieproces niet door een vervoersonderneming kan worden gebruikt.
13 In artikel 12.2, lid 8, van de spoorwegwet is bepaald dat wanneer een in artikel 12.1, tweede alinea, van deze wet bedoelde dienstvoorziening gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt, de eigenaar van die voorziening kan bekendmaken dat hij de exploitatie ervan volledig of gedeeltelijk aanbiedt voor leasing, verhuring of verkoop als dienstvoorziening. Indien de exploitant van de dienstvoorziening binnen drie maanden na de bekendmaking geen offerten ontvangt, is hij gerechtigd om de dienstvoorziening te sluiten, mits hij de nationale toezichthoudende instantie en de beheerder van de openbare spoorweginfrastructuur daarvan ten minste drie maanden van tevoren kennisgeving heeft gedaan.
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
14 Latvijas Dzelzceļš verhuurde het depot voor locomotieven in Ventspils, waarvan zij eigenaar is, sinds 2002 aan Baltijas Ekspresis.
15 Op 20 juni 2016 is de huurovereenkomst betreffende dit gebouw verlengd tot 30 april 2028. Volgens deze overeenkomst beschikte Latvijas Dzelzceļš over het eenzijdige recht om de overeenkomst op te zeggen indien zij wegens een onvoorziene omstandigheid dat gebouw voor eigen gebruik nodig had.
16 Volgens die huurovereenkomst was het gebouw dat in het hoofdgeding aan de orde is, verhuurd als kantoorruimte en voor economische activiteiten. Baltijas Ekspresis voerde er onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan locomotieven uit.
17 Aangezien Latvijas Dzelzceļš het gebouw voor haar eigen behoeften wenste te gebruiken – te weten om er haar rollend materieel voor het onderhoud van de spoorweginfrastructuur op te slaan –, heeft zij, als beheerder van de openbare spoorweginfrastructuur, Baltijas Ekspresis op 5 september 2017 kennisgegeven van de eenzijdige beëindiging van de huurovereenkomst die in het hoofdgeding aan de orde is.
18 Op 18 september 2017 heeft Baltijas Ekspresis bij de nationale toezichthoudende instantie een klacht ingediend, aangezien zij van mening was dat deze beëindiging, gelet op haar hoedanigheid van vervoerder en exploitant van een dienstvoorziening in de zin van artikel 1, punt 26, van de spoorwegwet, schending van de mededinging en het non-discriminatiebeginsel opleverde, omdat daardoor onder andere de efficiënte en rationele werking van en de toegang tot de dienst zou worden belemmerd, en verzocht zij die instantie om de opzegging van die huurovereenkomst niet toe te staan.
19 Bij besluit van 5 december 2017 heeft de nationale toezichthoudende instantie Latvijas Dzelzceļš gelast om de toegang tot het depot in Ventspils, als dienstvoorziening, en tot de in die dienstvoorziening geleverde diensten als bedoeld in artikel 12.1, lid 2, punten 5 en 6, van de spoorwegwet, te waarborgen. Volgens dit besluit is het niet relevant dat Baltijas Ekspresis in de verhuurde ruimten enkel werkzaamheden voor zichzelf uitoefent. In dat besluit is gesteld dat deze onderneming diensten verricht in het kader van de zelfvoorziening van diensten in de zin van artikel 3, punt 8, van uitvoeringsverordening 2017/2177, zodat de onderbreking van de activiteiten van de dienstvoorziening moet worden beoordeeld in het licht van de voorschriften die beperkingen opleggen aan het recht om over te gaan tot de sluiting van een dienstvoorziening, die pas kan plaatsvinden na afloop van een periode van twee jaar waarin de betrokken dienstvoorziening niet meer is gebruikt.
20 Latvijas Dzelzceļš heeft eerst beroep tot nietigverklaring van dat besluit ingesteld bij de administratīvā rajona tiesa (bestuursrechter in eerste aanleg, Letland) en is daarna tegen de verwerping van dit beroep in hoger beroep gegaan bij de administratīvā apgabaltiesa (bestuursrechter in tweede aanleg, Letland), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak.
21 Volgens de verwijzende rechter vormt het depot in Ventspils een „dienstvoorziening” in de zin van artikel 3, punt 11, van richtlijn 2012/34, aangezien dit depot voldoet aan de technische voorschriften die het mogelijk maken om er diensten te verrichten. De verwijzende rechter is daarentegen van oordeel dat Baltijas Ekspresis zich niet bezighoudt met zelfvoorziening van diensten in de zin van artikel 3, punt 8, van uitvoeringsverordening 2017/2177 en evenmin diensten ten behoeve van andere spoorwegondernemingen verricht. Hij leidt daaruit af dat het betrokken gebouw moet worden beschouwd als een niet-gebruikte dienstvoorziening waarvan de verhuur of de herbestemming wordt geregeld in artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 en artikel 15 van uitvoeringsverordening 2017/2177.
22 Volgens de verwijzende rechter kan Latvijas Dzelzceļš niet worden beschouwd als exploitant van de dienstvoorziening die in het hoofdgeding aan de orde is, aangezien deze onderneming niet verantwoordelijk is voor het verstrekken van informatie met betrekking tot of het behandelen van verzoeken om toegang tot de diensten die in het depot in Ventspils worden verricht.
23 De verwijzende rechter erkent weliswaar dat de situatie in het hoofdgeding verschilt van die in artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 en artikel 15, leden 5 en 6, van uitvoeringsverordening 2017/2177, maar de analyse van deze bepalingen leidt zijns inziens niettemin tot de conclusie dat, in de context van de opzegging van een huurovereenkomst, het belang van de spoorwegonderneming bij de voortzetting van de huur van de ruimten voorrang moet hebben boven de belangen van de eigenaar van die ruimten. Uit die bepalingen kan evenwel niet worden afgeleid dat de eigenaar van die ruimten de huurder niet in kennis kan stellen van de opzegging van de huurovereenkomst omdat hij de ruimten voor eigen gebruik wenst aan te wenden.
24 Volgens de verwijzende rechter is er, indien de exploitant van de dienstvoorziening de betrokken dienstvoorziening kan herbestemmen, geen overtuigend argument voorhanden dat rechtvaardigt dat de eigenaar van deze voorziening niet ook de overeenkomst inzake de verhuur van die voorziening kan beëindigen om haar vervolgens te herbestemmen, aangezien er geen relevant verschil tussen deze situaties bestaat.
25 In deze omstandigheden heeft de administratīvā apgabaltiesa de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen: „1) Kan artikel 13, leden 2 en 6, van richtlijn 2012/34 (artikel 15, leden 5 en 6, van uitvoeringsverordening 2017/2177) aldus worden uitgelegd dat de toezichthoudende instantie aan de eigenaar van infrastructuur die niet de exploitant van de dienstvoorziening is, de verplichting kan opleggen om toegang tot de diensten te garanderen? 2) Moet artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 (artikel 15, leden 5 en 6, van uitvoeringsverordening 2017/2177) aldus worden uitgelegd dat het de eigenaar van een gebouw toestaat om een huurbetrekking te beëindigen en een dienstvoorziening te herbestemmen? 3) Moet artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 (artikel 15, leden 5 en 6, van uitvoeringsverordening 2017/2177) aldus worden uitgelegd dat het de toezichthoudende instantie enkel verplicht om na te gaan of de exploitant van de dienstvoorziening (in casu de eigenaar ervan) daadwerkelijk heeft besloten tot een herbestemming van die voorziening?”
Ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing
26 Volgens Latvijas Dzelzceļš heeft de verwijzende rechter het depot in Ventspils ten onrechte als een „dienstvoorziening” in de zin van richtlijn 2012/34 aangemerkt. Baltijas Ekspresis en de nationale toezichthoudende instantie achten het onjuist om aan te nemen, zoals de verwijzende rechter doet, dat deze voorziening niet is gebruikt in de zin van artikel 13, lid 6, van deze richtlijn.
27 In dit verband moet worden vastgesteld dat de beoordeling van dergelijke argumenten de uitlegging van bepalingen van Unierecht vergt en onlosmakelijk verbonden is met het antwoord op de prejudiciële vraag. Deze argumenten kunnen derhalve niet de niet-ontvankelijkheid van het verzoek meebrengen (zie naar analogie arrest van 3 december 2019, Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:1036, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
28 In deze omstandigheden moet het verzoek om een prejudiciële beslissing als ontvankelijk worden beschouwd.
Toepasselijkheid van uitvoeringsverordening 2017/2177
29 Het in het hoofdgeding aan de orde zijnde besluit van de nationale toezichthoudende instantie werd vastgesteld op 5 december 2017, terwijl uitvoeringsverordening 2017/2177 volgens artikel 17 ervan in werking is getreden op 13 december 2017 en van toepassing is met ingang van 1 juni 2019, met uitzondering van artikel 2, dat van toepassing is met ingang van 1 januari 2019.
30 Dienaangaande is de verwijzende rechter van oordeel dat de praktische gevolgen van dit besluit, hoewel het vóór de datum van inwerkingtreding van deze uitvoeringsverordening werd vastgesteld, ook na deze datum voortduren. Aangezien het hoofdgeding strekt tot nietigverklaring van dat besluit, moet echter worden vastgesteld dat uitvoeringsverordening 2017/2177 ratione temporis niet van toepassing is op dit geding.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
31 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, leden 2 en 6, van richtlijn 2012/34 aldus moet worden uitgelegd dat de verplichting om alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze toegang te verlenen tot de in bijlage II, punt 2, bij deze richtlijn bedoelde dienstvoorzieningen in de zin van artikel 3, punt 11, van die richtlijn, door de toezichthoudende instantie niet alleen kan worden opgelegd aan exploitanten van dienstvoorzieningen, maar ook aan eigenaren van dergelijke voorzieningen die niet de exploitant ervan zijn.
32 Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van richtlijn 2012/34 verlenen exploitanten van dienstvoorzieningen alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze toegang, inclusief toegang via het spoor, tot de in bijlage II, punt 2, bedoelde dienstvoorzieningen en tot de in deze voorzieningen geleverde diensten.
33 Het begrip „exploitant van een dienstvoorziening” wordt in artikel 3, punt 12, van richtlijn 2012/34 gedefinieerd als iedere publieke of privaatrechtelijke entiteit die verantwoordelijk is voor het beheer van een of meer dienstvoorzieningen of voor het verrichten van een of meer diensten voor spoorwegondernemingen als bedoeld in bijlage II, punten 2 tot en met 4, bij deze richtlijn. Deze definitie houdt dus alleen rekening met de aard van de activiteit van exploitant van een dienstvoorziening en van aanbieder van spoorwegdiensten, ongeacht of de publieke of privaatrechtelijke entiteit die de dienstvoorziening exploiteert, al dan niet eigenaar ervan is.
34 Bijgevolg kan artikel 13, lid 2, van richtlijn 2012/34, anders dan de nationale toezichthoudende instantie stelt, niet aldus worden uitgelegd dat de verplichting om op een niet-discriminerende wijze toegang tot dienstvoorzieningen te waarborgen ook rust op de eigenaar van de betrokken voorziening wanneer deze niet als exploitant ervan in de zin van artikel 3, punt 12, van deze richtlijn kan worden beschouwd.
35 Aan deze beoordeling wordt niet afgedaan door artikel 13, lid 6, van die richtlijn. Deze bepaling legt de eigenaren van dergelijke voorzieningen immers enkel de verplichting op om de exploitatie van deze voorzieningen geheel of gedeeltelijk aan te bieden voor leasing of verhuring, voor zover de in deze bepaling genoemde omstandigheden aanwezig zijn.
36 Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 13, leden 2 en 6, van richtlijn 2012/34 aldus moet worden uitgelegd dat de verplichting om alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze toegang te verlenen tot de in bijlage II, punt 2, bij deze richtlijn bedoelde dienstvoorzieningen in de zin van artikel 3, punt 11, van die richtlijn, niet kan worden opgelegd aan eigenaren van dergelijke voorzieningen die niet de exploitant ervan zijn.
Tweede vraag
37 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 aldus moet worden uitgelegd dat het de eigenaar van een gebouw met een dienstvoorziening in de zin van artikel 3, punt 11, van deze richtlijn toestaat een huurovereenkomst betreffende dat gebouw te beëindigen om het voor eigen gebruik aan te wenden.
38 Vooraf zij eraan herinnerd dat voor de toepassing van richtlijn 2012/34 onder „dienstvoorziening” in de zin van artikel 3, punt 11, van deze richtlijn wordt verstaan, de installatie, inclusief terrein, gebouw en uitrusting, die in haar geheel of gedeeltelijk speciaal is ingericht voor het verrichten van een of meer diensten als bedoeld in bijlage II, punten 2 tot en met 4, bij die richtlijn.
39 Deze definitie van het begrip „dienstvoorziening” berust op een objectief criterium, namelijk dat van de technische capaciteit van een voorziening om bepaalde diensten te leveren, en legt geen criterium met betrekking tot de ontvangers van deze diensten vast. Een dergelijk criterium staat los van zowel de aard of de kwalificatie van de rechtstitel op grond waarvan een dergelijke voorziening wordt geëxploiteerd, als de identiteit van de ontvangers van deze diensten.
40 Het feit dat alleen de spoorwegonderneming die de dienstvoorziening exploiteert, gebruikmaakt van deze diensten, is dus geen beletsel om aan te nemen dat deze voorziening een „dienstvoorziening” in de zin van artikel 3, punt 11, van richtlijn 2012/34 vormt.
41 In casu blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde voorziening zodanig was ingericht dat Baltijas Ekspresis er onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan locomotieven, die onder de in die bijlage II, punten 2 tot en met 4, bedoelde diensten vallen, kon uitvoeren. Bijgevolg vormt het depot in Ventspils, zoals de verwijzende rechter vaststelt, een „dienstvoorziening” in de zin van artikel 3, punt 11, van richtlijn 2012/34.
42 Voor de vaststelling of een voorziening moet worden beschouwd als een „dienstvoorziening”, is noch de kwalificatie van deze voorziening in een huurovereenkomst, noch de omstandigheid of deze voorziening al dan niet in de in artikel 27 van richtlijn 2012/34 bedoelde netverklaring staat, relevant. Deze verklaring vermeldt bepaalde gegevens over de aard van de voor spoorwegondernemingen beschikbare infrastructuur en bevat onder andere, zoals blijkt uit lid 2 van dit artikel, de voorwaarden voor toegang tot dienstvoorzieningen die zijn aangesloten op het netwerk van de infrastructuurbeheerder en voor de dienstverlening in die voorzieningen. Dat neemt niet weg dat noch uit deze bepaling, noch uit bijlage IV bij deze richtlijn, waarin de inhoud van de netverklaring nader wordt gepreciseerd, blijkt dat de opneming van een infrastructuur in deze verklaring een noodzakelijke voorwaarde vormt om een dergelijke voorziening als een „dienstvoorziening” in de zin van artikel 3, punt 11, van die richtlijn aan te merken. Hoewel artikel 27 voorschrijft dat bestaande dienstvoorzieningen moeten worden opgenomen in de netverklaring, kan namelijk niet worden gesteld dat een omissie in dit opzicht ertoe zou kunnen leiden dat het bestaan van een dergelijke dienstvoorziening in twijfel wordt getrokken.
43 Opgemerkt zij dat de toepassing van artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 blijkens de bewoordingen ervan onder andere veronderstelt dat de betrokken dienstvoorziening gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt.
44 In dat verband is de verwijzende rechter in wezen van oordeel dat Baltijas Ekspresis in de dienstvoorziening die in het hoofdgeding aan de orde is, geen diensten ten behoeve van andere spoorwegondernemingen verricht, noch dergelijke ondernemingen toegang tot deze voorziening verleent, zodat de betrokken voorziening moet worden beschouwd als een niet-gebruikte dienstvoorziening in de zin van artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34.
45 Zoals de advocaat-generaal met name in de punten 63 en 67 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kunnen dergelijke overwegingen echter niet leiden tot de aanname dat een dienstvoorziening niet wordt gebruikt in de zin van die bepaling, terwijl er diensten ten behoeve van de exploitant van die voorziening worden verricht.
46 Zoals in punt 32 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, verplicht artikel 13, lid 2, van deze richtlijn exploitanten van een dienstvoorziening weliswaar om spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze toegang tot deze voorziening en de aldaar geleverde diensten te waarborgen, maar daaruit volgt evenwel niet dat het gebruik van de dienstvoorziening slechts kan worden vastgesteld indien andere spoorwegondernemingen dan die welke de betrokken voorziening exploiteert, er gebruik van maken.
47 Een dergelijke uitlegging vindt steun in het doel van artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34, zoals blijkt uit punt 4.4 van de toelichting bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van één Europese spoorwegruimte van 17 september 2010 [COM(2010) 475 def.]. In het licht van deze toelichting moet worden opgemerkt dat deze bepaling beoogt een situatie te voorkomen waarin gedurende een bepaalde periode geen werkzaamheden worden uitgeoefend in een dienstvoorziening, ofschoon zij kan voorzien in aangetoonde behoeften. Dat is echter niet het geval bij een voorziening waar diensten ten behoeve van de exploitant ervan worden verricht.
48 Gelet op de aan het Hof overgelegde gegevens, waaruit blijkt dat in het hoofdgeding Baltijas Ekspresis het depot in Ventspils sinds 2002 ononderbroken voor haar eigen behoeften als spoorwegonderneming heeft gebruikt, moet dit depot worden beschouwd als een dienstvoorziening die in gebruik is.
49 Hieruit volgt dat artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34, voor zover deze bepaling vooronderstelt dat de betrokken dienstvoorziening gedurende ten minste twee opeenvolgende jaren niet is gebruikt, niet van toepassing is op een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is.
50 Hieruit blijkt dat de mogelijkheid voor de eigenaar van de voorziening die in het hoofdgeding aan de orde is, om de huurovereenkomst betreffende deze voorziening op grond van het nationale recht op te zeggen en deze te herbestemmen, hoe dan ook niet kan worden beoordeeld aan de hand van artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34.
51 Gelet op het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een situatie waarin de eigenaar van een gebouw met een dienstvoorziening in de zin van artikel 3, punt 11, van deze richtlijn die in gebruik is, voornemens is een huurovereenkomst betreffende dat gebouw te beëindigen om het voor eigen gebruik aan te wenden.
Derde vraag
52 Aangezien de verwijzende rechter met zijn derde vraag het Hof verzoekt om uitlegging van artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34, hoeft deze vraag, gelet op het antwoord op de tweede vraag, niet te worden beantwoord.
Kosten
53 Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
1) Artikel 13, leden 2 en 6, van richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte moet aldus worden uitgelegd dat de verplichting om alle spoorwegondernemingen op een niet-discriminerende wijze toegang te verlenen tot de in bijlage II, punt 2, bij deze richtlijn bedoelde dienstvoorzieningen in de zin van artikel 3, punt 11, van die richtlijn, niet kan worden opgelegd aan eigenaren van dergelijke voorzieningen die niet de exploitant ervan zijn.
2) Artikel 13, lid 6, van richtlijn 2012/34 moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op een situatie waarin de eigenaar van een gebouw met een dienstvoorziening in de zin van artikel 3, punt 11, van deze richtlijn die in gebruik is, voornemens is een huurovereenkomst betreffende dat gebouw te beëindigen om het voor eigen gebruik aan te wenden.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Lets.