Art. 12 Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177, Haalbare alternatieven
Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2177
1. Wanneer een verzoek om toegang tot dienstvoorzieningen en spoorgebonden diensten ook na de coördinatieprocedure niet kan worden ingewilligd, stelt de exploitant van de dienstvoorziening als genoemd in punt 2 van bijlage II bij Richtlijn 2012/34/EU de betrokken aanvrager en de toezichthoudende instantie, op haar verzoek, daar onverwijld van in kennis. De lidstaten kunnen verlangen dat de toezichthoudende autoriteit, ook als zij daar niet om gevraagd heeft, toch op de hoogte wordt gebracht.
2. Indien een verzoek niet kan worden ingewilligd, beoordelen de exploitant van een dienstvoorziening als genoemd in punt 2 van bijlage II bij Richtlijn 2012/34/EU en de aanvrager gezamenlijk of er haalbare en financieel levensvatbare alternatieven zijn voor de exploitatie van de betrokken goederen- of passagiersdienst via hetzelfde traject of via alternatieve trajecten. De aanvrager mag niet worden verplicht zijn ondernemingsplan bekend te maken.
3. Voor de toepassing van lid 2 stelt de exploitant van de dienstvoorziening op basis van de beschrijving van andere dienstvoorzieningen of de overeenkomstig artikel 5 op een gemeenschappelijke website gepubliceerde informatie en de door de aanvrager meegedeelde informatie mogelijke alternatieven voor, desgevallend ook in andere lidstaten. Bij het voorstellen van mogelijke alternatieven moet ten minste rekening worden gehouden met de volgende criteria, voor zover die door de exploitant van de dienstvoorziening kunnen worden beoordeeld:
— de substitueerbaarheid van de operationele kenmerken van de alternatieve dienstvoorziening;
— de substitueerbaarheid van de fysieke en technische kenmerken van de alternatieve dienstvoorziening;
— de duidelijke gevolgen voor de aantrekkelijkheid en concurrentiepositie van de door de aanvrager geplande spoorvervoersdienst;
— de geraamde extra kosten voor de aanvrager.
De exploitant van een dienstvoorziening eerbiedigt de commerciële vertrouwelijkheid van de door de aanvrager verstrekte informatie.
4. Wanneer de informatie over de capaciteit van het voorgestelde alternatief niet publiek toegankelijk is, verifieert de aanvrager die.
De aanvrager beoordeelt of het gebruik van het voorgestelde alternatief hem in staat zou stellen de geplande vervoersdienst onder economisch aanvaardbare voorwaarden te exploiteren. Hij stelt de exploitant van de dienstvoorziening binnen de afgesproken termijn in kennis van het resultaat van zijn beoordeling.
5. De aanvrager kan verlangen dat de exploitant van een dienstvoorziening geen haalbare alternatieven voorstelt en geen gezamenlijke beoordeling uitvoert.