Art. 59 Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891, Niet-naleving van de erkenningscriteria
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/891
1. Indien een lidstaat niet-naleving door een producentenorganisatie van een van de erkenningscriteria in verband met de vereisten van de artikelen 5 en 7, artikel 11, leden 1 en 2, en artikel 17 heeft vastgesteld, zendt hij de betrokken producentenorganisatie uiterlijk twee maanden na de vaststelling van de niet-naleving een aangetekende aanmaningsbrief waarin de geconstateerde tekortkoming en de vereiste corrigerende maatregelen worden vermeld, alsook de termijnen waarbinnen deze maatregelen moeten worden genomen, met een maximum van vier maanden. Zodra een inbreuk is vastgesteld, schorten de lidstaten de steunbetalingen op totdat de corrigerende maatregelen ten genoegen van de lidstaten zijn genomen.
2. Als de in lid 1 bedoelde corrigerende maatregelen niet binnen de door de lidstaat vastgestelde termijn worden genomen, wordt de erkenning van de producentenorganisatie opgeschort. De lidstaat stelt de producentenorganisatie in kennis van de termijn van de opschorting, die na het verstrijken van de termijn voor het nemen van die corrigerende maatregelen onmiddellijk ingaat en niet meer mag bedragen dan twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanmaningsbrief door de producentenorganisatie. Dit doet geen afbreuk aan de toepassing van horizontale nationale wetgeving die eventueel voorziet in de opschorting van de erkenning nadat een gerechtelijke procedure is ingeleid.
Tijdens de periode van opschorting van de erkenning mag de producentenorganisatie haar activiteiten voortzetten, maar de steunbetalingen worden ingehouden tot de opschorting van de erkenning wordt opgeheven. Het jaarlijkse steunbedrag wordt verlaagd met 2 % voor elke kalendermaand of gedeelte daarvan waarin de erkenning is opgeschort.
De opschorting eindigt op de dag van de controle die bevestigt dat de betrokken erkenningscriteria weer in acht worden genomen.
3. Als de criteria aan het einde van de door de bevoegde autoriteit van de lidstaat vastgestelde opschortingsperiode nog steeds niet worden nageleefd, trekt de lidstaat de erkenning in vanaf de datum waarop de erkenningsvoorwaarden niet langer werden vervuld, of, indien het niet mogelijk is na te gaan wat deze datum was, vanaf de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld. Dit doet geen afbreuk aan de toepassing van horizontale nationale wetgeving die eventueel voorziet in de opschorting van de erkenning nadat een gerechtelijke procedure is ingeleid. Nog verschuldigde steun over de periode waarvoor de inbreuk is vastgesteld, wordt niet betaald en ten onrechte betaalde steun wordt teruggevorderd.
4. Indien een lidstaat heeft vastgesteld dat een producentenorganisatie een van de in artikel 154 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgestelde en niet in lid 1 vermelde erkenningscriteria niet in acht neemt, zendt hij de betrokken producentenorganisatie uiterlijk twee maanden na de vaststelling van de niet-naleving een aangetekende aanmaningsbrief waarin de geconstateerde tekortkoming en de vereiste corrigerende maatregelen worden vermeld, alsook de termijnen waarbinnen deze maatregelen moeten worden genomen, met een maximum van vier maanden.
5. Indien de in lid 4 bedoelde corrigerende maatregelen niet binnen de door de lidstaat vastgestelde termijn zijn genomen, worden de steunbetalingen geschorst en wordt het jaarlijkse steunbedrag verlaagd met 1 % voor elke kalendermaand of gedeelte daarvan na het verstrijken van die termijn. Dit doet geen afbreuk aan de toepassing van horizontale nationale wetgeving die eventueel voorziet in de opschorting van de erkenning nadat een gerechtelijke procedure is ingeleid.
6. Indien een producentenorganisatie de criteria van het minimumvolume of de minimumwaarde van de afgezette productie uit hoofde van artikel 154, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 niet in acht heeft genomen en uiterlijk op 15 oktober van het tweede jaar na het jaar van de niet-inachtneming niet heeft bewezen dat die criteria in acht worden genomen, trekt de lidstaat haar erkenning in. De intrekking is van kracht vanaf de datum waarop de erkenningsvoorwaarden niet langer werden vervuld, of, indien het niet mogelijk is na te gaan wat deze datum was, vanaf de datum waarop de niet-naleving werd vastgesteld. Nog verschuldigde steun over de periode waarvoor de inbreuk is vastgesteld, wordt niet betaald en ten onrechte betaalde steun wordt teruggevorderd.
Wanneer een producentenorganisatie aan de lidstaat echter bewijst dat zij ten gevolge van natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, ziekten of plagen, ondanks de genomen maatregelen ter preventie van risico's, niet kan voldoen aan de in artikel 154, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vastgelegde criteria inzake het minimumvolume of de minimumwaarde van de afzetbare productie zoals bepaald door de lidstaat, kan de lidstaat voor het betrokken jaar afwijken van het minimumvolume of de minimumwaarde van de afzetbare productie van deze producentenorganisatie.
7. In gevallen waar de leden 1, 2, 4 en 5 van toepassing zijn, mogen de lidstaten betalingen verrichten na de uiterste datum die in artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 wordt genoemd. Deze betalingen mogen echter niet plaatsvinden na 15 oktober van het tweede jaar na het jaar van uitvoering van het programma.
8. De leden 1 tot en met 5 zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een producentenorganisatie de in het kader van artikel 21 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/892 vereiste informatie niet aan de lidstaat verstrekt.