Art. 54, Planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor bijzondere voorschriften voor beschermde gebieden gelden
1. Bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen mogen alleen worden binnengebracht in of in het verkeer zijn binnen bepaalde beschermde gebieden indien aan bijzondere voorschriften voor deze beschermde gebieden is voldaan.
2. De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast van planten, plantaardige producten en andere materialen, hun respectieve beschermde gebieden en de overeenkomstige bijzondere voorschriften voor beschermde gebieden. In de eerste van deze uitvoeringshandelingen worden de planten, plantaardige producten en andere materialen, betrokken beschermde gebieden en de bijzondere voorschriften voor beschermde gebieden opgenomen die zijn vermeld in bijlage IV, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
In de bij deze uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst wordt van die planten, plantaardige producten en andere materialen ook hun respectieve GN-code vermeld, indien deze beschikbaar is. Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes vermeld indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.
3. Wanneer een plant, plantaardig product of ander materiaal afkomstig van buiten het betrokken beschermde gebied, door de kans dat een ZP-quarantaineorganisme er in of op aanwezig is een onaanvaardbaar risico op plaagorganismen voor dat beschermde gebied oplevert en dit risico door toepassing van één of meer van de in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, vermelde maatregelen tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandeling om daarin die plant, dat plantaardige product of dat andere materiaal en de daarop toe te passen maatregelen op te nemen. Deze maatregelen en de in lid 2 bedoelde voorschriften vormen „bijzondere voorschriften voor beschermde gebieden”.
Wanneer een in die uitvoeringshandeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal geen onaanvaardbaar risico op plaagorganismen voor het betrokken beschermde gebied oplevert, of wel een dergelijk risico oplevert, maar dit risico door de bijzondere voorschriften voor beschermde gebieden niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie die uitvoeringshandeling dienovereenkomstig.
Deze wijzigingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De mate waarin dit risico op plaagorganismen aanvaardbaar is, en de maatregelen om dat risico tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, worden beoordeeld overeenkomstig de in deel 2 van bijlage II vermelde beginselen.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico van plaagorganismen, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.
4. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten via het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem ervan in kennis wanneer in strijd met de ingevolge dit artikel vastgestelde maatregelen planten, plantaardige producten of andere materialen zijn binnengebracht in of in het verkeer zijn binnen het betrokken beschermde gebied.
In voorkomend geval stellen de lidstaten of de Commissie het derde land waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie zijn binnengebracht, hiervan in kennis.