Rb. Rotterdam 30 april 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3664
Dat sprake is van een discrepantie – zoals verweerder zelf ook toegeeft – tussen de mogelijkheid van terugzending die artikel 12 lid 1 Verordening (EG) nr. 178/2002 biedt indien zendingen al in de EU op de markt zijn gebracht, maar waarvan later blijkt dat deze zijn verontreinigd, en artikel 67 Verordening (EU) 2017/625 dat die mogelijkheid niet kent voor verontreinigde zendingen die bij de grenscontrole zijn tegengehouden, maakt niet dat het de autoriteiten en de rechter vrij staat om artikel 67 Verordening (EU) 2017/625 buiten toepassing te laten. Het staat de nationale autoriteiten en de nationale rechter niet vrij af te wijken van dwingend unierecht. Dit zou slechts anders kunnen zijn als artikel 67 Verordening (EU) 2017/625 in strijd zou zijn met het primaire unierecht of het EVRM. Dat is echter niet aangevoerd door eiseressen. De voorzieningenrechter merkt in dit verband overigens nog op dat het niet de eerste keer is dat het secundaire unierecht voor ogenschijnlijk dezelfde gevallen verschillende regimes in het leven roept met betrekking tot levensmiddelen. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van het CBb van 15 september 2014 (ECLI:NL:CBB:2014:339) in de zaak Bayshore.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 2:1 Awb
- Artikel 6:22 Awb
- Artikel 8:81 Awb
- Artikel 8:83 Awb
- Artikel 8:86 Awb
- Artikel 3 Warenwetbesluit uitvoering verordening officiële controles en andere officiële activiteiten
- Artikel 3
- Artikel 4
- Artikel 11
- Artikel 12
- Artikel 14
- Artikel 17
- Artikel 18
- Artikel 18
- Artikel 19
- Artikel 20
- Artikel 53
- Artikel 54
- Artikel 66
- Artikel 67