Art. 52 Verordening (EU) 2016/2031, Tijdelijke maatregelen van de lidstaten in verband met onmiddellijk gevaar
1. Wanneer een lidstaat van oordeel is dat het binnenbrengen op of het verkeer binnen zijn grondgebied van planten, plantaardige producten of andere materialen uit bepaalde derde landen of bepaalde andere lidstaten gepaard gaat met een onaanvaardbaar risico op het binnendringen, vestigen en verspreiden binnen zijn grondgebied van een EU-quarantaineorganisme of een plaagorganisme waarvan is geoordeeld dat het voldoet aan de voorwaarden voor opneming in de lijst van EU-quarantaineorganismen, en dat risico onvoldoende wordt beperkt door de maatregelen bedoeld in artikel 17, leden 1 en 2, artikel 18, lid 1, artikel 19, lid 1, artikel 28, leden 1 en 2, artikel 29, lid 1, artikel 30, leden 1 en 3, artikel 40, leden 2 en 3, artikel 41, leden 2 en 3, artikel 42, lid 3, artikel 49, lid 1, en artikel 53, stelt hij de Commissie en de andere lidstaten van de Unie schriftelijk in kennis van de door hem gewenste EU-maatregelen, tezamen met de technische of wetenschappelijke motivering van deze maatregelen.
2. Indien een lidstaat van oordeel is dat de in lid 1 bedoelde Uniemaatregelen niet tijdig worden genomen of kunnen worden genomen om het in dat lid bedoelde risico te beperken, kan hij tijdelijke maatregelen nemen om zijn grondgebied tegen het onmiddellijke gevaar te beschermen. Deze tijdelijke maatregelen, alsmede de technische motivering daarvan, worden onverwijld ter kennis van de Commissie en de andere lidstaten gebracht.
3. Wanneer de Commissie de in lid 1 bedoelde kennisgeving ontvangt, gaat zij onmiddellijk na of het in lid 1 bedoelde risico afdoende wordt beperkt door de maatregelen bedoeld in artikel 17, leden 1 en 2, artikel 18, lid 1, artikel 19, lid 1, artikel 28, leden 1 en 2, artikel 29, lid 1, artikel 30, leden 1 en 3, artikel 40, leden 2 en 3, artikel 41, leden 2 en 3, artikel 42, lid 3, artikel 49, lid 1, en artikel 53, dan wel of een nieuwe maatregel dient te worden aangenomen op grond van deze artikelen.
4. Wanneer de Commissie, op basis van de in lid 3 bedoelde beoordeling, concludeert dat het in lid 1 bedoelde risico onvoldoende wordt beperkt door de tijdelijke maatregelen die de lidstaat overeenkomstig lid 2 heeft genomen, of indien deze maatregelen onevenredig zijn of niet naar behoren zijn gemotiveerd, kan zij door middel van uitvoeringshandelingen besluiten dat deze maatregelen moeten worden ingetrokken of gewijzigd. Zolang de Commissie geen dergelijke uitvoeringshandeling heeft vastgesteld, kan de lidstaat de door hem genomen maatregelen handhaven.
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.