Art. 53 Verordening (EU) 2016/2031, Verbod op binnenbrengen van planten, plantaardige producten en andere materialen in beschermde gebieden

Verordening (EU) 2016/2031

1. Bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen, die afkomstig zijn uit derde landen of uit het grondgebied van de Unie, mogen niet worden binnengebracht in bepaalde beschermde gebieden.

2. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een lijst vast van de in lid 1 bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen, die niet mogen worden binnengebracht in bepaalde beschermde gebieden. In de eerste van deze uitvoeringshandelingen worden de planten, plantaardige producten en andere materialen, en de betrokken beschermde gebieden en, indien van toepassing, het land van oorsprong opgenomen die zijn vermeld in bijlage III, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

In de bij deze uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst wordt van die planten, plantaardige producten en andere materialen ook hun respectieve GN-code vermeld, indien deze beschikbaar is. Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes genoemd indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.

3. Wanneer een plant, plantaardig product of ander materiaal afkomstig van buiten een beschermd gebied, door de kans dat het betrokken ZP-quarantaineorganisme er in of op aanwezig is een onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert en dit risico door toepassing van één of meer van de in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, vermelde maatregelen niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandeling dienovereenkomstig om daarin die plant, dat plantaardige product of dat andere materiaal en het/de betrokken beschermde gebieden(en) op te nemen.

Wanneer een in die uitvoeringshandeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal geen onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert of weliswaar een dergelijk risico oplevert, maar dit risico door toepassing van één of meer van de maatregelen genoemd in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie die uitvoeringshandeling dienovereenkomstig.

Deze wijzigingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De vraag of dit risico op plaagorganismen al dan niet aanvaardbaar is, wordt beoordeeld overeenkomstig de in deel 2 van bijlage II bedoelde beginselen.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico van plaagorganismen, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

4. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten via het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem ervan in kennis wanneer in strijd met de ingevolge dit artikel vastgestelde verbodsbepalingen planten, plantaardige producten of andere materialen zijn binnengebracht in of in het verkeer zijn binnen het betrokken beschermde gebied.

In voorkomend geval stellen de lidstaten of de Commissie het derde land waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen in het betrokken beschermde gebied zijn binnengebracht, hiervan in kennis.