Art. 40 Verordening (EU) 2016/2031, Verbod op het binnenbrengen van planten, plantaardige producten en andere materialen op het grondgebied van Unie
1. Bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen mogen niet op het grondgebied van de Unie worden binnengebracht indien zij uit enig of uit bepaalde derde landen of gebieden afkomstig zijn.
2. De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast van planten, plantaardige producten en andere materialen, bedoeld in lid 1, die niet op het grondgebied van de Unie mogen worden binnengebracht met daarbij tevens de derde landen, groepen derde landen of specifieke gebieden van de derde landen waarop het verbod van toepassing is.
In de eerste van deze uitvoeringshandelingen worden de planten, plantaardige producten en andere materialen, en de landen van oorsprong opgenomen die zijn vermeld in bijlage III, deel A, bij Richtlijn 2000/29/EG.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
In de bij die uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst worden de planten, plantaardige producten en andere materialen ook aangeduid met hun respectieve code overeenkomstig de gecombineerde nomenclatuur zoals vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (26) („GN-code”), indien die code beschikbaar is. Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes vermeld indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.
3. Wanneer, door de kans dat er een EU-quarantaineorganisme in of op aanwezig is, een plant, plantaardig product of ander materiaal van oorsprong uit of verzonden vanuit een derde land een onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert en dit risico op plaagorganismen door toepassing van één of meer van de maatregelen genoemd in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandeling dienovereenkomstig om daarin die plant, dat plantaardige product of dat andere materiaal en de betrokken derde landen, groepen derde landen of specifieke gebieden van de derde landen op te nemen.
Wanneer een in die uitvoeringshandeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal geen onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert of weliswaar een dergelijk risico oplevert, maar dit risico door toepassing van één of meer van de maatregelen genoemd in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie die uitvoeringshandeling dienovereenkomstig.
De mate waarin dit risico op plaagorganismen aanvaardbaar is, wordt beoordeeld overeenkomstig de in deel 2 van bijlage II bedoelde beginselen, in voorkomend geval ten aanzien van één of meer specifieke derde landen.
Deze wijzigingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico van plaagorganismen, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.
4. De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten via het in artikel 103 bedoelde elektronisch kennisgevingssysteem ervan in kennis wanneer in strijd met lid 1 planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie zijn binnengebracht.
Die kennisgeving wordt ook gericht aan het derde land waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie zijn binnengebracht.