Art. 36 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014, Verlaging van het te controleren percentage
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014
1. De in het onderhavige hoofdstuk vastgestelde controlepercentages mogen enkel worden verlaagd voor de in dit artikel bedoelde steunregelingen of bijstandsmaatregelen.
2. In afwijking van artikel 30, onder a), b) en f), mogen de lidstaten, ten aanzien van de basisbetalingsregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling, de herverdelingsbetaling en de regeling voor kleine landbouwers, besluiten het minimumniveau van de controles ter plaatse die elk jaar worden uitgevoerd per regeling tot 3 % te verlagen.
De eerste alinea is enkel van toepassing indien er een systeem van ruimtelijke intersectie van alle steunaanvragen met het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen is overeenkomstig artikel 17, lid 2, en indien er kruiscontroles op alle steunaanvragen worden verricht om dubbele aangifte van hetzelfde areaal te voorkomen tijdens het jaar dat voorafgaat aan de toepassing van die alinea.
Voor de aanvraagjaren 2015 en 2016 bedraagt het foutenpercentage in de aselecte steekproef die ter plaatse is gecontroleerd niet meer dan 2 % in de twee voorgaande begrotingsjaren. Die foutenpercentages worden door de lidstaten overeenkomstig de op het niveau van de Unie opgestelde methodologie gecertificeerd.
3. In afwijking van artikel 30, onder a), b), en f), mogen de lidstaten ten aanzien van de basisbetalingsregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling, de herverdelingsbetaling en de regeling voor kleine landbouwers besluiten de steekproef voor controles te verlagen tot de overeenkomstig artikel 34, lid 2, eerste alinea, onder a), geselecteerde steekproef, indien er controles worden verricht op basis van de orthobeelden die voor de actualisering van het in artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde systeem voor de identificatie van landbouwpercelen worden gebruikt.
De eerste alinea is enkel van toepassing indien de lidstaten een systematische actualisering van het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen verrichten en binnen een periode van ten hoogste drie jaar alle begunstigden in het gehele door dit systeem bestreken gebied controleren, waarbij de actualisering per jaar betrekking heeft op ten minste 25 % van de in het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen geregistreerde subsidiabele hectaren. Dat minimale dekkingspercentage geldt evenwel niet voor lidstaten met minder dan 150 000 in het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen geregistreerde subsidiabele hectaren.
In de drie jaar voorafgaande aan de toepassing van de eerste alinea hebben de lidstaten het betrokken systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen volledig geactualiseerd.
De voor de actualisering gebruikte orthobeelden zijn op de datum van het gebruik ervan voor de actualisering van het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen niet ouder dan 15 maanden.
De kwaliteit van het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen, zoals deze in de twee jaren vóór de toepassing van de eerste alinea is gebleken uit de overeenkomstig artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 verrichte beoordeling, is zodanig dat doeltreffend kan worden nagegaan of aan de voorwaarden voor de steunverlening wordt voldaan.
Het in de eerste alinea bedoelde besluit mag op nationaal of op regionaal niveau worden genomen. Voor de toepassing van deze alinea omvat een regio het gehele door een of meer autonome systemen voor de identificatie van de landbouwpercelen bestreken gebied.
Lid 2, derde alinea, is van overeenkomstige toepassing.
4. In afwijking van artikel 32, lid 1, mogen de lidstaten besluiten het minimumniveau van de controles ter plaatse die elk kalenderjaar worden uitgevoerd te verlagen tot 3 % van de begunstigden die een aanvraag indienen in het kader van onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen.
De eerste alinea is echter niet van toepassing op begunstigden die gelijkwaardige praktijken toepassen als bedoeld in artikel 43, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
5. De leden 2, 3 en 4 zijn enkel van toepassing indien is voldaan aan de algemene voorwaarden voor het verlagen van het overeenkomstig artikel 62, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 door de Commissie vastgestelde minimumniveau van de controles ter plaatse. Wanneer niet langer aan deze voorwaarden of aan de in de leden 2 of 3 van het onderhavige artikel vastgestelde voorwaarden is voldaan, trekken de lidstaten onmiddellijk hun besluit om het minimumniveau van de controles ter plaatse te verlagen in en passen zij met ingang van het daaropvolgende aanvraagjaar het in artikel 30, onder a), b), en f), en/of artikel 32 vastgestelde minimumniveau van de controles ter plaatse toe voor de betrokken steunregelingen of bijstandsmaatregelen.
6. In afwijking van artikel 30, onder g), kan, wanneer een lidstaat een systeem van voorafgaande vergunningen voor de teelt van hennep invoert, het minimumniveau van de controles ter plaatse worden verlaagd tot 20 % van de voor de productie van hennep als bedoeld in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 aangegeven arealen.
In dat geval stelt de lidstaat de Commissie in kennis van zijn nadere regels en voorwaarden met betrekking tot zijn systeem van voorafgaande vergunningen in het jaar vóór de toepassing van het verlaagde te controleren percentage. Elke wijziging van die nadere regels of voorwaarden wordt onverwijld aan de Commissie meegedeeld.