Art. 16 Verordening (EU) nr. 652/2014, Subsidiabele maatregelen
1. Aan lidstaten kunnen, tot de in artikel 5, leden 1 tot 3, vastgestelde maximumpercentages, subsidies voor de volgende maatregelen tegen plaagorganismen worden toegekend onder de in artikel 17 bepaalde voorwaarden:
a) maatregelen om een plaagorganisme in een besmet gebied uit te roeien, genomen door de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 16, leden 1 en 2, van Richtlijn 2000/29/EG of op grond van de overeenkomstig artikel 16, lid 3, van die richtlijn vastgestelde maatregelen van de Unie;
b) maatregelen om een plaagorganisme in te perken waartegen op grond van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG inperkingsmaatregelen van de Unie zijn genomen, in een besmet gebied waar dat plaagorganisme niet kan worden uitgeroeid, indien die maatregelen essentieel zijn om de Unie tegen verdere verspreiding van het plaagorganisme te beschermen. Als vastgesteld is dat het plaagorganisme in de bufferzone aanwezig is, betreffen die maatregelen uitsluitend de uitroeiing van dat plaagorganisme in die bufferzone;
c) aanvullende beschermende maatregelen tegen de verspreiding van een plaagorganisme waartegen op grond van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG andere maatregelen van de Unie zijn genomen dan de onder a) bedoelde uitroeiingsmaatregelen en de onder b) bedoelde inperkingsmaatregelen, indien die maatregelen essentieel zijn om de Unie tegen verdere verspreiding van dat plaagorganisme te beschermen.
Er mogen ook subsidies worden toegekend voor de onder a) en b) van de eerste alinea bedoelde maatregelen die zijn getroffen ingevolge de vermoedelijke aanwezigheid van dergelijk plaagorganisme, mits die aanwezigheid naderhand is bevestigd.
2. Wanneer op het grondgebied van een lidstaat de in lid 1 bedoelde plaagorganismen niet aanwezig zijn, maar in die lidstaat toch maatregelen tegen de insleep ervan zijn genomen omdat de plaagorganismen in een aangrenzende lidstaat of een aangrenzend derde land voorkomen, kunnen de in lid 1 bedoelde subsidies ook aan een dergelijke lidstaat worden toegekend.
3. Na de bevestiging dat een van de in artikel 17 bedoelde plaagorganismen aanwezig is, kunnen subsidies aan lidstaten worden toegekend als twee of meer lidstaten nauw samenwerken om de maatregelen bedoeld in lid 1 uit te voeren.
4. Ook aan internationale organisaties mogen subsidies worden toegekend voor de in lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met c), bedoelde maatregelen.