Art. 12 Verordening (EU) nr. 652/2014, Inhoud en indiening van de nationale programma’s
1. De lidstaten dienen uiterlijk op 31 mei bij de Commissie de nationale programma’s in die het volgende jaar beginnen en waarvoor zij een subsidie wensen aan te vragen.
Na 31 mei ingediende nationale programma’s komen met betrekking tot het volgende jaar niet in aanmerking voor financiering.
2. De nationale programma’s omvatten ten minste het volgende:
a) een beschrijving van de epidemiologische situatie van de dierziekte of zoönose voor de begindatum van het programma;
b) een beschrijving en afbakening van de geografische en bestuurlijke gebieden waar het programma zal worden uitgevoerd;
c) de looptijd van het programma;
d) de uit te voeren maatregelen;
e) het geraamde budget;
f) de streefdoelen die op de einddatum van het programma moeten zijn bereikt en de verwachte baten ervan, en
g) geschikte indicatoren om te meten in hoeverre de streefdoelen van het programma zijn gehaald.
In elk meerjarig nationaal programma wordt de onder b), d), en f) van de eerste alinea bedoelde informatie gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft indien sprake is van significante veranderingen ten opzichte van het voorafgaande jaar. De onder e) van die alinea bedoelde informatie wordt gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft.
3. Indien het uitbreken of de verspreiding van een van de krachtens artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen waarschijnlijk een bedreiging voor de gezondheidsstatus van de Unie inhoudt, kunnen de lidstaten, om de Unie tegen de insleep van een van die ziekten of zoönosen te beschermen, in hun nationale programma’s maatregelen opnemen die in samenwerking met de autoriteiten van aangrenzende derde landen op het grondgebied van die landen zullen worden uitgevoerd.