Art. 11 Verordening (EU) nr. 652/2014, Subsidiabele kosten
De volgende kosten die de lidstaten bij de uitvoering van de nationale programma’s maken, kunnen in aanmerking komen voor subsidiëring uit hoofde van artikel 9:
a) kosten voor de bemonstering van dieren;
b) kosten voor tests, mits deze beperkt zijn tot:
i) kosten voor testkits, reagentia en verbruiksgoederen die identificeerbaar zijn en specifiek voor de uitvoering van die tests worden gebruikt;
ii) kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de uitvoering van de tests, ongeacht de status van het personeel;
c) kosten voor de compensatie van eigenaars voor de waarde van hun geslachte of geruimde dieren, beperkt tot de marktwaarde van dergelijke dieren als zij niet door de ziekte waren getroffen;
d) kosten voor het slachten of ruimen van de dieren;
e) kosten voor de compensatie van eigenaars voor de waarde van hun vernietigde producten van dierlijke oorsprong, beperkt tot de marktwaarde van die producten onmiddellijk voordat een vermoeden van de ziekte ontstond of werd bevestigd;
f) kosten voor de aankoop, opslag, inoculatie, toediening of distributie van voor de programma’s gebruikte vaccindoses of aasvaccins;
g) kosten voor de reiniging, ontsmetting en desinsectie van het bedrijf en de apparatuur, op basis van de epidemiologie en de eigenschappen van de ziekteverwekker, en
h) in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen: kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van andere dan de onder a) tot en met g) bedoelde maatregelen die noodzakelijk blijken, op voorwaarde dat die maatregelen vermeld zijn in het in artikel 13, leden 3 en 4, bedoelde subsidiebesluit.
Voor de toepassing van punt c) van de eerste alinea wordt de eventuele restwaarde van de dieren van de vergoeding afgetrokken.
Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea wordt de eventuele restwaarde van niet-uitgebroede eieren die een warmtebehandeling hebben ondergaan, van de vergoeding afgetrokken.