Art. 9, Constatering van arealen wanneer een landbouwperceel landschapselementen en bomen bevat
1. Wanneer bepaalde landschapselementen, met name heggen, sloten en muren, traditioneel deel uitmaken van goede agrarische teelt- of gebruikpraktijken op landbouwareaal in bepaalde regio’s, kunnen de lidstaten besluiten dat het door die elementen ingenomen areaal moet worden aangemerkt als deel van de subsidiabele oppervlakte van een landbouwperceel in de zin van artikel 67, lid 4, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013, op voorwaarde dat het betrokken areaal een door de lidstaten te bepalen totale breedte niet overschrijdt. Die breedte moet overeenkomen met een traditionele breedte in de betrokken regio en mag niet meer dan twee meter bedragen.
Wanneer een lidstaat vóór 9 december 2009 overeenkomstig artikel 30, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie (18) een breedte van meer dan twee meter aan de Commissie heeft gemeld, mag echter die breedte worden toegepast.
De eerste en de tweede alinea zijn niet van toepassing op blijvend grasland met geïsoleerde landschapselementen en bomen wanneer de betrokken lidstaat heeft besloten een in artikel 10 bedoeld pro-ratasysteem toe te passen.
2. Landschapselementen die moeten voldoen aan de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 opgenomen eisen en normen en die deel uitmaken van de totale oppervlakte van een landbouwperceel, worden aangemerkt als deel van de subsidiabele oppervlakte van dat landbouwperceel.
3. Een landbouwperceel met geïsoleerde bomen wordt als subsidiabel areaal aangemerkt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a) de landbouwactiviteiten kunnen worden verricht op een wijze die vergelijkbaar is met de landbouwactiviteiten op in hetzelfde gebied gelegen percelen zonder bomen, en
b) het aantal bomen per hectare komt niet uit boven een bepaalde maximumdichtheid.
De in de eerste alinea, onder b), bedoelde maximumdichtheid wordt door de lidstaten gedefinieerd en gemeld op basis van traditionele teeltpraktijken, natuurlijke omstandigheden en milieuredenen. De maximumdichtheid mag niet meer bedragen dan 100 bomen per hectare. Deze bovengrens geldt echter niet voor de maatregelen van de artikelen 28 en 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.
Dit artikel is niet van toepassing op geïsoleerde fruitbomen die geregeld een oogst opleveren noch op begraasbare geïsoleerde bomen op blijvend grasland noch op blijvend grasland met geïsoleerde landschapselementen en bomen wanneer de betrokken lidstaat heeft besloten een in artikel 10 bedoeld pro-ratasysteem toe te passen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 8 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:935
- CBb 8 december 2020, ECLI:NL:CBB:2020:934
- CBb 10 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:157
- CBb 21 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1089
- CBb 17 maart 2020, ECLI:NL:CBB:2020:166
- CBb 28 augustus 2018, ECLI:NL:CBB:2018:443
- CBb 26 juni 2018, ECLI:NL:CBB:2018:304
- CBb 29 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:228