Art. 5, Identificatie van de landbouwpercelen

1. Het in artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen wordt toegepast op het niveau van referentiepercelen. Een referentieperceel bevat een eenheid land bestaande uit landbouwareaal als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 1307/2013. In voorkomend geval omvat een referentieperceel ook grond als bedoeld in artikel 32, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en landbouwgrond als bedoeld in artikel 28, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

De lidstaten bakenen het referentieperceel zo af dat het meetbaar is, de unieke en eenduidige lokalisering van elk jaarlijks aangegeven landbouwperceel mogelijk maakt en, in beginsel, stabiel is in de tijd.

2. Bovendien zorgen de lidstaten ervoor dat de aangegeven landbouwpercelen op betrouwbare wijze worden geïdentificeerd. Zij verlangen met name dat de steunaanvragen en betalingsaanvragen vergezeld gaan van door de bevoegde autoriteit gespecificeerde nadere informatie of documenten die de lokalisering en meting van elk landbouwperceel mogelijk maken. De lidstaten moeten voor elk referentieperceel:

a) een subsidiabel maximumareaal bepalen voor de toepassing van de steunregelingen als genoemd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013;

b) een subsidiabel maximumareaal bepalen voor de toepassing van de areaalgebonden maatregelen als bedoeld in de artikelen 28 tot en met 31 van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

c) de ligging en de omvang bepalen van de in artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde ecologische aandachtsgebieden die bij besluit van de lidstaat als ecologisch aandachtsgebied dienen te worden aangemerkt. Daartoe passen de lidstaten in voorkomend geval de in bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 opgenomen omzettings- en/of wegingsfactoren toe;

d) vaststellen welke bepalingen van toepassing zijn voor berggebieden, gebieden met aanzienlijke natuurlijke beperkingen en andere gebieden met specifieke beperkingen als bedoeld in artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, Natura 2000-gebieden, onder Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) vallende gebieden, landbouwgrond waarvoor uit hoofde van artikel 57 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 een vergunning voor de productie van katoen is verleend, grond die in een voor beweiding of teelt geschikte natuurlijke staat wordt gehouden als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), iii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, gebieden die door de lidstaten worden aangewezen voor de regionale en/of collectieve tenuitvoerlegging van ecologische aandachtsgebieden overeenkomstig artikel 46, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, arealen die aan de Commissie worden gemeld overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, gebieden met ecologisch kwetsbaar blijvend grasland in zones als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (15) of Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (16) en andere kwetsbare gebieden als bedoeld in artikel 45, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en/of gebieden die door de lidstaten worden aangewezen overeenkomstig artikel 48 van die verordening.

3. De lidstaten zorgen ervoor dat het subsidiabele maximumareaal per referentieperceel als bedoeld in lid 2, onder a), correct wordt gekwantificeerd binnen een marge van maximaal 2 %, rekening houdend met de omtrek en conditie van het referentieperceel.

4. Voor de toepassing van de in artikel 21, lid 1, onder a), en de artikelen 30 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregelen kunnen de lidstaten adequate alternatieve systemen voor de unieke identificatie van de subsidiabele grond vaststellen indien die grond bedekt is met bos.

5. Het GIS werkt op basis van een nationaal systeem voor verwijzing door middel van coördinaten als omschreven in Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (17), dat een gestandaardiseerde meting en een unieke identificatie van de percelen landbouwgrond in de gehele betrokken lidstaat mogelijk maakt. Wanneer uiteenlopende coördinatensystemen worden gebruikt, sluiten deze elkaar uit en is binnen elk systeem de consistentie gewaarborgd tussen informatie-elementen die naar dezelfde locatie verwijzen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen