Art. 4, Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden

1. Voor rechtstreekse betalingen geldt dat, indien een begunstigde door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet aan de subsidiabiliteitscriteria of andere verplichtingen heeft kunnen voldoen, hij zijn recht op steun behoudt voor de arealen of dieren die subsidiabel waren toen de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheid zich voordeed.

Voor bijstandsmaatregelen voor plattelandsontwikkeling in het kader van de artikelen 28, 29, 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 geldt dat, indien een begunstigde door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet aan de verbintenis heeft kunnen voldoen, de desbetreffende betaling evenredig wordt ingetrokken voor de jaren waarin de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden zich voordeden. De intrekking geldt alleen voor de delen van de verbintenis die geen extra kosten of gederfde inkomsten hebben meegebracht voordat de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden zich voordeden. Er vindt geen intrekking met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria en andere verplichtingen plaats en er wordt geen administratieve sanctie toegepast.

Wat de andere bijstandsmaatregelen voor plattelandsontwikkeling betreft, verlangen de lidstaten geen gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de bijstand in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. In geval van meerjarige verbintenissen of betalingen wordt geen terugbetaling van de in voorgaande jaren ontvangen bijstand verlangd en wordt de verbintenis of betaling in de daaropvolgende jaren overeenkomstig de oorspronkelijke looptijd ervan voortgezet.

Wanneer de niet-naleving die het gevolg is van dergelijke overmacht of uitzonderlijke omstandigheden op de randvoorwaarden betrekking heeft, wordt de overeenkomstige administratieve sanctie als bedoeld in artikel 91, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, niet toegepast.

2. Gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden worden, samen met de desbetreffende bewijzen ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk aan die autoriteit gemeld binnen vijftien werkdagen vanaf de dag waarop dit voor de begunstigde of diens rechtsverkrijgende mogelijk is.

Uitspraken die dit artikel aanhalen