CBb 3 september 2024, ECLI:NL:CBB:2024:605
Het beroep is ongegrond. Verwijzing naar eerdere uitspraken. De vaststelling van de oppervlakte van een perceel landbouwgrond is geen randvoorwaarde, waarvoor een in artikel 71, tweede lid, van Verordening genoemde controle wordt uitgevoerd. Het College heeft eerder geoordeeld dat, anders dan de landbouwer betoogt, de minister aan de vaststelling van de oppervlakten van de percelen geen fysieke meting ten grondslag hoeft te leggen. Als de bevoegde autoriteit geen enkele twijfel koestert over de meetgegevens die zij heeft ontleend aan de luchtbeelden waarover zij beschikt, is zij namelijk niet verplicht om de betrokken percelen ter plaatse op te meten. [naam 1] is het er verder niet mee eens dat de minister twee meetsystemen toepast. Bij het invullen van de gecombineerde opgave moet de landbouwer gebruik maken van coördinaten met een gradenstelsel, terwijl de coördinaten van de percelen worden uitgedrukt in kilometers. Dit is in strijd is met artikel 5, vijfde lid, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014. Er mag slechts één coördinatensysteem toegepast worden. Zoals het College eerder heeft overwogen (zie onder 2 van de uitspraak van 2 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:225) heeft de landbouwer zijn betoog over de methode waarmee de minister de oppervlakte van percelen vaststelt vaker aan de orde gesteld en is het College de landbouwer daarin eerder niet gevolgd.
De uitspraak op rechtspraak.nl