Art. 45, Aanvullende criteria voor de soorten ecologische aandachtsgebieden
1. De in artikel 46, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde soorten arealen moeten voldoen aan de leden 2 tot en met 11 van het onderhavige artikel om als ecologisch aandachtsgebied te worden bestempeld.
2. Op braakliggend land mag geen landbouwproductie plaatsvinden. In afwijking van artikel 4, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 blijft land dat meer dan vijf jaar als ecologisch aandachtsgebied braak ligt, bouwland.
3. Terrassen zijn terrassen die zijn beschermd in het kader van GLMC 7 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, alsmede andere terrassen. De lidstaten kunnen besluiten om alleen terrassen die in het kader van GLMC 7 zijn beschermd, als ecologisch aandachtsgebied aan te merken. lidstaten die besluiten om ook andere terrassen in aanmerking te nemen, stellen op basis van specifieke nationale of regionale kenmerken criteria voor deze andere terrassen vast, waaronder de minimumhoogte.
4. Landschapselementen staan ter beschikking van de landbouwer en zijn beschermd in het kader van GLMC 7, RBE 2 of RBE 3 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, alsmede de volgende elementen:
a) heggen of houtwallen met een maximale breedte van 10 m;
b) geïsoleerde bomen met een kruindiameter van minimaal 4 m;
c) bomen in rij met een kruindiameter van minimaal 4 m. De ruimte tussen de kruinen bedraagt niet meer dan 5 m;
d) bomen in groep met overlappende kruinen, en boomgroepen in het veld, op een oppervlakte van maximaal 0,3 ha;
e) akkerranden met een breedte tussen 1 en 20 m waarop geen landbouwproductie plaatsvindt;
f) vijvers van maximaal 0,1 ha. Reservoirs van beton of plastic worden niet als ecologisch aandachtsgebied beschouwd;
g) sloten met een breedte van maximaal 6 m, inclusief open waterlopen voor irrigatie of drainage. Kanalen met betonnen wanden worden niet als ecologisch aandachtsgebied beschouwd;
h) traditionele stenen muren.
De lidstaten kunnen in naar behoren gemotiveerde gevallen besluiten de selectie van landschapselementen te beperken tot die welke vallen onder GLMC 7, RBE 2 of RBE 3 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, en/of tot een of meer van de onder a) tot en met h), van de eerste alinea vermelde elementen.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b) en c), kunnen lidstaten bomen met een kruindiameter van minder dan 4 m die zij als waardevolle landschapselementen hebben erkend, in aanmerking nemen.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder e), kunnen de lidstaten een lagere maximumbreedte vaststellen.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder h), kunnen de lidstaten een minimumomvang voor vijvers vaststellen en kunnen zij bepalen dat daartoe een strook oevervegetatie wordt gerekend met een breedte van maximaal 10 m Zij kunnen, met inachtneming van het belang van natuurlijke vijvers voor de instandhouding van habitats en soorten, criteria vaststellen die waarborgen dat de vijvers een natuurwaarde hebben.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder h), stellen de lidstaten op basis van specifieke nationale of regionale kenmerken minimumcriteria vast, waaronder beperkingen voor de hoogte en de breedte.
5. Onder bufferstroken vallen de in het kader van GLMC 1, RBE 1 of RBE 10 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 vereiste bufferstroken, alsmede andere bufferstroken. De minimumbreedte van deze andere bufferstroken wordt door de lidstaten vastgesteld, maar mag niet minder bedragen dan 1 m. Deze moeten zo op een akker gelegen zijn of aan een akker grenzen dat de lange randen parallel lopen aan de oever van een waterloop of waterlichaam. Langs waterlopen gelegen bufferstroken mogen stroken met oevervegetatie van maximaal 10 m breed omvatten. Op bufferstroken mag geen landbouwproductie plaatsvinden. In afwijking van het productieverbod kunnen de lidstaten toestaan dat deze bufferstroken worden begraasd of gemaaid op voorwaarde dat de bufferstroken steeds kunnen worden onderscheiden van de aangrenzende landbouwgrond.
6. Hectaren onder boslandbouw worden beschouwd als bouwland dat in aanmerking komt voor de toepassing van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling als bedoeld in titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en dat voldoet aan de voorwaarden waaronder in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde steun dan wel bijstand is of wordt verleend.
7. Ten aanzien van stroken subsidiabele hectaren langs bosranden kunnen lidstaten besluiten om hetzij landbouwproductie daarop toe te staan hetzij een landbouwproductieverbod vast te stellen, of in beide opties voor landbouwers te voorzien. Wanneer de lidstaten besluiten om daarop geen landbouwproductie toe te staan, kunnen zij, in afwijking van het productieverbod, toestaan dat deze stroken worden begraasd of gemaaid op voorwaarde dat de stroken steeds kunnen worden onderscheiden van de aangrenzende landbouwgrond. De minimumbreedte van deze stroken wordt door de lidstaten vastgesteld, maar mag niet minder bedragen dan 1 m. De maximumbreedte bedraagt 10 m.
8. Voor arealen met hakhout met korte omlooptijd waar geen minerale meststoffen en/of gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, stellen de lidstaten een lijst van soorten op die hiervoor kunnen worden gebruikt, door op de krachtens artikel 4, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde lijst de soorten te selecteren die uit ecologisch oogpunt daarvoor het geschiktst zijn en daarbij de duidelijk niet-inheemse soorten uit te sluiten. De lidstaten stellen ook eisen voor de toepassing van minerale meststoffen en/of gewasbeschermingsmiddelen vast en houden daarbij rekening met het doel van ecologische aandachtsgebieden om met name de biodiversiteit veilig te stellen en te verbeteren.
9. Onder de arealen met vanggewassen en groenbedekking vallen tevens de arealen die zijn aangelegd krachtens de eisen in het kader van RBE 1 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, alsmede andere arealen met vanggewassen of groenbedekking, op voorwaarde dat deze zijn aangelegd door een mengsel van gewassoorten te zaaien of door onder het hoofdgewas gras te zaaien. De lidstaten stellen de lijst van te gebruiken mengsels van gewassoorten en de periode voor de inzaai van de vanggewassen of de groenbedekking op en kunnen aanvullende voorwaarden vaststellen voor met name de productiemethoden. De door de lidstaten vast te stellen periode moet uiterlijk op 1 oktober verstrijken.
Onder de arealen met vanggewassen en groenbedekking vallen niet de arealen met wintergewassen die normaliter in de herfst worden ingezaaid om te worden geoogst of begraasd. Evenmin vallen onder deze arealen de arealen waarop gelijkwaardige praktijken worden toegepast die worden vermeld in bijlage IX, deel I, punten 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en ten uitvoer worden gelegd via de in artikel 43, lid 3, onder a), van die verordening bedoelde verbintenissen.
10. Op arealen met stikstofbindende gewassen telen de landbouwers de stikstofbindende gewassen die in een door de lidstaat vastgestelde lijst zijn opgenomen. In die lijst worden de stikstofbindende gewassen vermeld die de lidstaat bevorderlijk acht voor de nagestreefde verbetering van de biodiversiteit. Deze gewassen moeten tijdens het groeiseizoen aanwezig zijn. De lidstaten bepalen de locaties waar stikstofbindende gewassen mogen worden geteeld om als ecologisch aandachtsgebied in aanmerking te komen. In de desbetreffende voorschriften wordt rekening gehouden met de noodzaak de doelstellingen van Richtlijn 91/676/EEG en Richtlijn 2000/60/EG te halen, en met de mogelijkheid dat stikstofbindende gewassen de uitspoeling van stikstof in de herfst kunnen verhogen. De lidstaten kunnen aanvullende voorwaarden vaststellen voor met name de productiemethoden.
Onder de arealen met stikstofvastleggende gewassen vallen niet de arealen waarop gelijkwaardige praktijken van toepassing zijn die worden vermeld in bijlage IX, deel I, punten 3 en 4, bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 en ten uitvoer worden gelegd via de in artikel 43, lid 3, onder a), van die verordening bedoelde verbintenissen.
11. Een landbouwer mag hetzelfde areaal of hetzelfde landschapselement slechts een keer per aanvraagjaar aangeven teneinde te voldoen aan de verplichting tot het hebben van een ecologisch aandachtsgebied.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 5 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:916
- CBb 18 december 2018, ECLI:NL:CBB:2018:674
- CBb 11 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:152
- CBb 10 maart 2026, ECLI:NL:CBB:2026:93
- CBb 25 februari 2020, ECLI:NL:CBB:2020:107
- CBb 26 februari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:79
- CBb 20 november 2018, ECLI:NL:CBB:2018:617
- CBb 13 november 2018, ECLI:NL:CBB:2018:612
- CBb 8 mei 2018, ECLI:NL:CBB:2018:316
- CBb 11 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:163
- CBb 11 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:162
- CBb 11 april 2018, ECLI:NL:CBB:2018:150