Art. 46 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014, Voorschriften voor de regionale tenuitvoerlegging van ecologische aandachtsgebieden
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014
1. Lidstaten die opteren voor de in artikel 46, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde regionale tenuitvoerlegging, omschrijven de betrokken regio’s met het oog op de toepassing van dat artikel. De te omschrijven regio vormt een enkel homogeen geografisch gebied met vergelijkbare landbouw- en milieuomstandigheden. Het concept homogeniteit heeft in dit verband betrekking op de bodemsoort, de hoogte en de aanwezigheid van natuurlijke en seminatuurlijke arealen.
2. De lidstaten wijzen in die omschreven regio’s gelegen arealen aan waar maximaal de helft van de procentpunten van de verplichting tot het hebben van ecologisch aandachtsgebied ten uitvoer moet worden gelegd.
3. De lidstaten stellen voor de omschreven arealen specifieke verplichtingen voor de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers vast. Deze verplichtingen moeten zorgen voor aaneengesloten structuren van aangrenzende ecologische aandachtsgebieden. In het kader van de verplichtingen voor de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers is ten minste 50 % van het areaal van elke deelnemende landbouwer dat onder de in artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde verplichting valt, op de grond van hun bedrijf in de regio en overeenkomstig artikel 46, lid 2, tweede alinea, van die verordening gelegen.
4. De verplichtingen voor de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers zorgen ervoor dat de in lid 3 bedoelde aaneengesloten ecologische aandachtsgebieden bestaan uit een of meer arealen als bedoeld in artikel 46, lid 2, eerste alinea, onder a), c), d) en h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
5. Bij het aanwijzen van arealen en het vaststellen van verplichtingen als bedoeld in respectievelijk lid 2 en lid 3, houden de lidstaten in voorkomend geval rekening met de bestaande nationale of regionale biodiversiteit en/of strategieën voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering, stroomgebiedbeheerplannen of geconstateerde behoeften teneinde de in artikel 10 van Richtlijn 92/43/EEG bedoelde ecologische coherentie van het Natura 2000-netwerk te waarborgen of aan de uitvoering van de strategie voor groene infrastructuur bij te dragen.
6. Alvorens verplichtingen voor landbouwers vast te stellen, plegen de lidstaten overleg met de betrokken landbouwers of groepen landbouwers en andere belanghebbende partijen. Na dat overleg stellen de lidstaten een definitief uitgewerkt plan voor de regionale tenuitvoerlegging vast en stellen zij de belanghebbende partijen die aan het overleg hebben deelgenomen, en de betrokken landbouwers of groepen landbouwers in kennis van dat plan, inclusief de aanwijzing van arealen en de verplichtingen voor de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers en met name het precieze percentage dat elke landbouwer op zijn eigen bedrijf ten uitvoer moet leggen. De lidstaten verstrekken deze informatie aan de landbouwer uiterlijk op 30 juni van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de regionale tenuitvoerlegging zal worden toegepast, of, met betrekking tot het eerste jaar van toepassing van deze verordening, vroeg genoeg om de landbouwer in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag dienovereenkomstig in te dienen.
Onverminderd de in artikel 43, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde betalingen aan landbouwers, zorgen de lidstaten ervoor dat regelingen worden vastgesteld inzake financiële compensaties tussen landbouwers en inzake administratieve sancties bij niet-naleving van de eisen inzake aaneengesloten ecologische aandachtsgebieden.