Art. 44 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014, Instandhouding van het aandeel blijvend grasland

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014

1. De lidstaten kunnen individuele landbouwers verbieden om arealen blijvend grasland om te zetten zonder voorafgaande individuele toestemming. De betrokken landbouwers worden onverwijld en in elk geval vóór 15 november van het jaar waarin de betrokken lidstaat daartoe besluit, van deze verplichting in kennis gesteld. Deze verplichting geldt slechts voor landbouwers op wie de in titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde verplichtingen van toepassing zijn ten aanzien van arealen blijvend grasland die niet onder artikel 45, lid 1, van die verordening vallen.

De verlening van toestemming kan afhankelijk zijn van de toepassing van objectieve en niet-discriminerende criteria, waaronder milieucriteria. Indien aan de in de eerste alinea bedoelde toestemming de voorwaarde is verbonden dat een ander gebied met een overeenkomstig aantal hectaren als blijvend gras moet worden aangelegd, wordt dat areaal in afwijking van artikel 4, lid 1, onder h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 met ingang van de eerste dag van de omzetting als blijvend grasland beschouwd. Dergelijke arealen worden voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen gebruikt hetzij gedurende ten minste vijf opeenvolgende jaren na de datum van de omzetting, hetzij, op besluit van de lidstaat, gedurende het aantal jaren dat overblijft om vijf opeenvolgende jaren vol te maken wanneer landbouwers arealen omzetten die reeds voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen zijn gebruikt.

2. Wanneer wordt vastgesteld dat het in artikel 45, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vermelde aandeel met meer dan 5 % is afgenomen ten opzichte van het in dat artikel vermelde referentieaandeel, voorziet de betrokken lidstaat in de verplichting om arealen weer in arealen blijvend grasland om te zetten, en in voorschriften ter voorkoming van een nieuwe omzetting van arealen blijvend grasland.

De lidstaten bepalen op welke groep van de landbouwers die aan de volgende voorwaarden voldoen, de heromzettingsverplichting van toepassing is:

a) landbouwers op wie de in titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde verplichtingen van toepassing zijn ten aanzien van arealen blijvend grasland die niet onder artikel 45, lid 1, van die verordening vallen, en

b) landbouwers die op basis van de overeenkomstig artikel 72 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 of artikel 19 van Verordening (EG) nr. 73/2009 ingediende aanvragen gedurende de voorgaande twee kalenderjaren of in 2015 gedurende de voorgaande drie kalenderjaren over landbouwarealen beschikken die van blijvend grasland of blijvend weiland zijn omgezet in arealen voor ander gebruik.

Indien de in de tweede alinea, onder b), bedoelde perioden kalenderjaren vóór 2015 omvatten, is de heromzettingsverplichting tevens van toepassing op arealen voor andere vormen van grondgebruik die zijn omgezet op basis van als blijvend grasland gebruikte grond waarop de in artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 of artikel 93, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde verplichting van toepassing was.

Wanneer de lidstaten bepalen welke landbouwers arealen in arealen blijvend grasland moeten heromzetten, leggen zij die verplichting in de eerste plaats op aan landbouwers die een areaal tot hun beschikking hebben dat in strijd met de in lid 1 van het onderhavige artikel of in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 bedoelde toestemmingsverplichting, indien van toepassing, is omgezet van een areaal blijvend grasland of blijvend weiland in een areaal voor ander gebruik. Deze landbouwers zetten het volledige omgezette areaal weer om.

3. Indien het in artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde aandeel ondanks de toepassing van lid 2, vierde alinea, niet toeneemt tot boven de drempel van 5 %, bepaalt de lidstaat in kwestie dat landbouwers die een areaal tot hun beschikking hebben dat van een areaal blijvend grasland of blijvend weiland is omgezet in een areaal voor ander gebruik gedurende de in lid 2, tweede alinea, onder b), bedoelde perioden, ook een percentage van dat omgezette areaal weer moeten omzetten in arealen blijvend grasland of een ander, met dat percentage overeenstemmend areaal moeten aanleggen als areaal blijvend grasland. Dat percentage wordt berekend op basis van het areaal dat de landbouwer gedurende de in lid 2, tweede alinea, onder b), bedoelde perioden heeft omgezet, en het areaal dat nodig is om te zorgen voor een toename van het in artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde aandeel tot boven de drempel van 5 %.

De lidstaten kunnen bij de berekening van het percentage als bedoeld in de eerste alinea, de arealen die na 31 december 2015 blijvend grasland zijn geworden, uitsluiten van het door de landbouwer omgezette areaal, mits zij administratieve kruiscontroles verrichten van het blijvend grasland dat jaarlijks in de grafische steunaanvraag middels een grafische doorsnede is aangegeven, met het areaal dat in 2015 als blijvend weiland is aangegeven en in het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen is geregistreerd, en mits deze arealen blijvend grasland niet zijn aangelegd op grond van een verplichting om een areaal blijvend grasland uit hoofde van lid 2 of het onderhavige lid weer om te zetten of aan te leggen. De lidstaten mogen deze arealen echter niet uitsluiten wanneer de uitsluiting niet leidt tot een toename van het in artikel 45, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde aandeel tot boven de drempel van 5 %.

Arealen blijvend grasland of blijvend weiland die een landbouwer in het kader van verbintenissen op grond van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (24) en Verordening (EU) nr. 1305/2013 heeft aangelegd, worden bij de berekening van het in de eerste alinea bedoelde percentage niet meegeteld als areaal dat de landbouwer heeft omgezet.

De landbouwers worden onverwijld en in elk geval vóór 31 december van het jaar waarin de afname met meer dan 5 % is geconstateerd, in kennis gesteld van de individuele heromzettingsverplichting en van de voorschriften ter voorkoming van een nieuwe omzetting van blijvend grasland. Aan de heromzettingsverplichting moet zijn voldaan vóór de datum voor de indiening van de verzamelaanvraag voor het daaropvolgende jaar of, in het geval van Zweden en Finland, vóór 30 juni van het daaropvolgende jaar.

In afwijking van artikel 4, lid 1, onder h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden arealen die weer in arealen blijvend grasland zijn omgezet of als arealen blijvend grasland zijn aangelegd, met ingang van de eerste dag van de heromzetting of de aanleg als blijvend grasland beschouwd. Deze arealen moeten voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen worden gebruikt hetzij gedurende ten minste vijf opeenvolgende jaren na de datum van de omzetting, hetzij, op besluit van de lidstaat, gedurende het aantal jaren dat overblijft om vijf opeenvolgende jaren vol te maken wanneer landbouwers arealen omzetten die reeds voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen werden gebruikt.

Uitspraken die dit artikel aanhalen

Vorige artikelen

Volgende artikelen