Art. 22 Verordening (EU) nr. 1315/2013, Vereisten voor de vervoersinfrastructuur
Verordening (EU) nr. 1315/2013
1. De lidstaten zorgen ervoor dat:
a) zeehavens aangesloten zijn op spoorlijnen of wegen en, waar mogelijk, binnenwateren van het uitgebreide netwerk, tenzij er fysieke belemmeringen zijn die deze aansluiting beletten;
b) elke zeehaven waar vrachtgoederenverkeer plaatsvindt, beschikt over ten minste één terminal die op niet-discriminerende wijze en tegen transparante tarieven toegankelijk is voor de gebruikers;
c) zeekanalen, vaargeulen en riviermonden twee zeeën met elkaar verbinden of van op zee toegang bieden tot zeehavens en ten minste voldoen aan de eisen van binnenwateren van klasse VI.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat havens over de nodige uitrusting beschikken om bij te dragen tot de milieuprestaties van schepen in havens, met name ontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen, overeenkomstig Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (31), onder naleving van andere toepasselijke Uniewetgeving.
3. De lidstaten voeren VTMIS en SafeSeaNet in overeenkomstig Richtlijn 2002/59/EG en implementeren elektronische maritieme diensten, waaronder in het bijzonder maritieme diensten via één elektronisch platform, zoals bedoeld in Richtlijn 2010/65/EU.