Art. 29 Verordening (EU) nr. 1308/2013, Programma's ter ondersteuning van de sector olijfolie en tafelolijven

Verordening (EU) nr. 1308/2013

1. De Unie financiert de driejarige activiteitenprogramma's die worden opgesteld door krachtens artikel 152 erkende producentenorganisaties, krachtens artikel 156 erkende unies van producentenorganisaties of krachtens artikel 157 erkende brancheorganisaties met betrekking tot:

a) monitoring en beheer van de markt in de sector olijfolie en tafelolijven;

b) verbetering van de milieueffecten van de olijventeelt;

c) verbetering van het concurrentievermogen van de olijventeelt door middel van modernisering;

d) verbetering van de kwaliteit van de productie van olijfolie en tafelolijven;

e) het traceerbaarheidssysteem, en de certificering en bescherming van de kwaliteit van olijfolie en tafelolijven, in het bijzonder de monitoring van de kwaliteit van de aan eindverbruikers verkochte olijfoliën, onder het gezag van de nationale overheid;

f) de verspreiding van informatie over de activiteiten die producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties of brancheorganisaties ontplooien ter verbetering van de kwaliteit van olijfolie en tafelolijven.

2. De Uniefinanciering voor de in lid 1 bedoelde activiteitenprogramma's bedraagt:

a) 11 098 000 EUR per jaar voor Griekenland;

b) 576 000 EUR per jaar voor Frankrijk; en

c) 35 991 000 EUR per jaar voor Italië.

3. De maximale Uniefinanciering voor de in lid 1 bedoelde activiteitenprogramma's is gelijk aan het door de lidstaten ingehouden steunbedrag. De subsidiabele kosten worden gefinancierd ten bedrage van maximaal:

a) 75 % voor de activiteiten op de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde gebieden;

b) 75 % voor de investeringen in vaste activa en 50 % voor andere activiteiten op het in lid 1, onder d), bedoelde gebied;

c) 75 % voor de activiteitenprogramma's die in ten minste drie derde landen of niet-producerende lidstaten door erkende organisaties als bedoeld in lid 1 uit ten minste twee producerende lidstaten worden ontplooid op de in lid 1, punten e) en f), bedoelde gebieden, en 50 % voor de andere activiteiten op die gebieden.

De lidstaat zorgt voor aanvullende financiering tot 50 % van de niet door de Uniefinanciering gedekte kosten.