Art. 30, Vorming en gebruik van de nationale reserve of regionale reserves

1. Elke lidstaat vormt een nationale reserve. Om die te vormen, gaan de lidstaten in het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling over tot een lineaire procentuele verlaging van het maximum van de basisbetalingsregeling op nationaal niveau.

2. In afwijking van lid 1 kunnen lidstaten die opteren voor de mogelijkheid in artikel 23, lid 1, regionale reserves vormen. Om die regionale reserves te vormen, gaan de lidstaten in het eerste jaar van uitvoering van de basisbetalingsregeling over tot een lineaire procentuele verlaging van het toepaselijke maximum van de basisbetalingsregeling op regionaal niveau als bedoeld in artikel 23, lid 2, eerste alinea.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde verlaging bedraagt niet meer dan 3 %, tenzij een hoger percentage nodig is om in de bij lid 6 en lid 7, onder a) en b), vastgestelde toewijzingsbehoeften te voorzien voor 2015 of, voor de lidstaten die artikel 36 toepassen, voor het eerste jaar van toepassing vande basisbetalingsregeling.

4. De lidstaten wijzen betalingsrechten toe uit hun nationale of regionale reserves op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat de gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden.

5. De in lid 4 bedoelde betalingsrechten worden alleen toegewezen aan landbouwers die overeenkomstig artikel 9 recht hebben op de toekenning van rechtstreekse betalingen.

6. De lidstaten gebruiken hun nationale of hun regionale reserves om bij voorrang betalingsrechten toe te wijzen aan jonge landbouwers en aan landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen.

7. De lidstaten kunnen hun nationale of regionale reserves gebruiken om:

a) betalingsrechten toe te wijzen aan landbouwers om te voorkomen dat de grond wordt verlaten, onder meer in gebieden waar aan een vorm van overheidssteun gekoppelde herstructurerings- of ontwikkelingsprogramma's lopen;

b) betalingsrechten toe te wijzen aan landbouwers om hen te vergoeden voor specifieke nadelen;

c) betalingsrechten toe te wijzen aan landbouwers aan wie geen betalingsrechten konden worden toegewezen krachtens dit hoofdstuk ten gevolge van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden;

d) betalingsrechten toe te wijzen indien zij artikel 21, lid 3, van deze verordening toepassen, aan landbouwers van wie het aantal subsidiabele hectaren dat in 2015 overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 wordt aangegeven en waarover zij beschikken op een door de lidstaat vastgestelde datum met als uiterste termijn de in die lidstaat vastgestelde datum voor wijziging van de steunaanvraag, meer bedraagt dan het aantal in eigendom of gehuurde betalingsrechten als vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1782/2003 en Verordening (EG) nr. 73/2009 waarover zij beschikken op de overeenkomstig artikel 78, eerste alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vast te stellen uiterste datum voor het indienen van een aanvraag;

e) als de betrokken nationale of regionale reserve meer dan 0,5 % van het jaarlijkse nationale of regionale maximum voor de basisbetalingsregeling bedraagt, de waarde van alle betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling op nationaal of regionaal niveau op permanente basis lineair te verhogen, mits voldoende bedragen beschikbaar blijven voor toewijzingen op grond van lid 6, onder a) en b), en van lid 9 van dit artikel;

f) de jaarlijkse behoeften voor toe te wijzen betalingen te dekken overeenkomstig artikel 51, lid 2, en artikel 65, leden 1, 2 en 3, van deze verordening.

Voor de toepassing van dit lid stellen de lidstaten zelf prioriteiten vast voor de hierin vermelde verschillende vormen van gebruik.

8. Bij de toepassing van lid 6 en lid 7, onder a), b) en d), stellen de lidstaten de waarde van de aan landbouwers toegewezen betalingsrechten vast op de nationale of regionale gemiddelde waarde van de betalingsrechten in het jaar van toewijzing.

De nationale of regionale gemiddelde waarde wordt berekend door het overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, vastgestelde nationale of regionale maximum voor de basisbetalingsregeling voor het jaar van toewijzing, met uitzondering van het bedrag van de nationale reserve of regionale reserves, en, in geval van Kroatië, de speciale reserve voor mijnenruimen, te delen door het aantal toegewezen betalingsrechten.

De lidstaten stellen de stappen vast voor de jaarlijkse geleidelijke wijziging van de waarde van de uit de nationale reserve of regionale reserves toegewezen betalingsrechten, met inachtneming van de wijzigingen van de nationale of regionale maxima voor de basisbetalingsregeling vastgesteld overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, en artikel 23, lid 2, die voortvloeien uit de variaties in het niveau van de in bijlage II vermelde nationale maxima.

9. Een landbouwer die op grond van een definitieve gerechtelijke uitspraak of een definitief bestuursrechtelijk besluit van de bevoegde autoriteit van een lidstaat recht heeft op de toewijzing van betalingsrechten of op een verhoging van de waarde van de reeds bestaande betalingsrechten, ontvangt het aantal betalingsrechten en de waarde daarvan die in die uitspraak of dat besluit zijn vastgesteld, op een door de lidstaat te bepalen datum. Die datum mag evenwel niet later zijn dan de uiterste datum voor de indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling na de datum van de gerechtelijke uitspraak of het bestuursrechtelijke besluit, waarbij rekening wordt gehouden met de toepassing van de artikelen 32 en 33.

10. Bij de toepassing van lid 6, lid 7, onder a) en b), en lid 9 kunnen de lidstaten nieuwe betalingsrechten toewijzen of de waarde per eenheid van alle bestaande betalingsrechten van een landbouwer, verhogen tot de waarde van het nationale of regionale gemiddelde.

11. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

a) "jonge landbouwers": landbouwers in de zin van artikel 50, lid 2, en, in voorkomend geval, artikel 50, lid 3 en lid 11;

b) "landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen": een natuurlijk of rechtspersoon die in de vijf jaar voorafgaand aan het opstarten van de landbouwactiviteiten geen landbouwactiviteit heeft verricht in eigen naam en voor eigen risico en evenmin de controle heeft gehad over een rechtspersoon die een landbouwactiviteit uitoefende. In het geval van een rechtspersoon mag (mogen) de natuurlijke persoon (personen) die de controle over de rechtspersoon heeft (hebben), in de vijf jaar voorafgaand aan het opstarten van de landbouwactiviteit door de rechtspersoon geen landbouwactiviteit hebben verricht in eigen naam en voor eigen risico en evenmin de controle hebben gehad over een rechtspersoon die de landbouwactiviteit uitoefende; voor deze categorie van landbouwers kunnen de lidstaten hun eigen aanvullende objectieve en niet-discriminerende subsidiabiliteitscriteria vaststellen inzake passende vaardigheden, ervaring en opleiding.

Uitspraken die dit artikel aanhalen