Art. 26, Berekening van de initiële waarde per eenheid
1. De initiële waarde per eenheid van de betalingsrechten als bedoeld in artikel 25, lid 2, in lidstaten die in kalenderjaar 2014 de bedrijfsbetalingsegeling toepassen en die niet besloten hebben om hun bestaande betalingsrechten overeenkomstig artikel 21, lid 3, te behouden, wordt bepaald overeenkomstig een van de methoden vermeld in de leden 2 of 3.
2. Een vast percentage van de betalingen die de landbouwer voor 2014 in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling heeft ontvangen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009, vóór verlagingen en uitsluitingen als bedoeld in titel II, hoofdstuk 4, van die verordening, wordt gedeeld door het aantal betalingsrechten dat hem in 2015 is toegewezen, met uitzondering van de in 2015 uit de nationale reserve en regionale reserves toegewezen betalingsrechten.
Dit vaste percentage wordt berekend door het nationaal of regionaal maximum voor de basisbetalingsregeling dat overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, voor het jaar 2015 moet worden vastgesteld, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, van deze verordening te delen door het bedrag van de betalingen die voor 2014 in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling in de betrokken lidstaat of de betrokken regio, zijn verricht, vóór verlagingen en uitsluitingen bedoeld in titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009.
3. Een vast percentage van de waarde van de betalingsrechten, inclusief de bijzondere betalingsrechten, waarover de landbouwer op de datum van indiening van zijn aanvraag voor 2014 beschikte in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009, wordt gedeeld door het aantal betalingsrechten dat hem in 2015 is toegewezen, met uitzondering van de in 2015 uit de nationale reserve of regionale reserves toegewezen betalingsrechten.
Dit vaste percentage wordt berekend door het nationaal of regionaal maximum voor de basisbetalingsregeling dat overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, voor het jaar 2015 moet worden vastgesteld, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, van deze verordening, te delen door de totale waarde van alle betalingsrechten, inclusief de bijzondere betalingsrechten, in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling in de betrokken lidstaat of regio voor 2014.
Voor de toepassing van dit lid wordt een landbouwer geacht op de datum van indiening van zijn aanvraag voor 2014 over betalingsrechten te beschikken wanneer uiterlijk op die datum betalingsrechten aan hem waren toegewezen of definitief aan hem waren overgedragen.
4. Lidstaten die in kalenderjaar 2014 de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen, berekenen de initiële waarde per eenheid van de betalingsrechten bedoeld in artikel 25, lid 2, van deze verordening, door een vast percentage van de totale waarde van de steun die de landbouwer voor 2014 in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 en krachtens de artikelen 132 en 133 bis van die verordening heeft ontvangen, vóór verlagingen en uitsluitingen als bedoeld in titel II, hoofdstuk 4, van die verordening, te delen door het aantal betalingsrechten dat hem in 2015 is toegewezen, met uitzondering van de in 2015 uit de nationale reserve en uit de regionale reserves toegewezen betalingsrechten.
Dit vaste percentage wordt berekend door het nationaal of regionaal maximum voor de basisbetalingsregeling dat overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, voor het jaar 2015 moet worden vastgesteld, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, van deze verordening, te delen door de totale waarde van de steun die voor 2014 in de betrokken lidstaat of regio is toegekend in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 en krachtens de artikelen 132 en 133 bis van die verordening, vóór verlagingen en uitsluitingen bedoeld in titel II, hoofdstuk 4, van die verordening.
5. De lidstaten die in het kalenderjaar 2014 de bedrijfsbetalingsregeling toepassen en die overeenkomstig artikel 21, lid 3, van deze verordening, besluiten hun bestaande betalingsrechten te behouden, berekenen de initiële waarde per eenheid door de waarde per eenheid van de betalingsrechten bedoeld in artikel 25, lid 2, van deze verordening te vermenigvuldigen met een vast percentage. Dit vaste percentage wordt berekend door het nationaal of regionaal maximum voor de basisbetalingsregeling dat overeenkomstig, respectievelijk, artikel 22, lid 1, of artikel 23, lid 2, voor het jaar 2015 moet worden vastgesteld, na toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel 30, lid 1, of, in voorkomend geval, in artikel 30, lid 2, van deze verordening, te delen door het bedrag van de betalingen die voor 2014 in het kader van de bedrijfsbetalingsregeling in de betrokken lidstaat of betrokken regio zijn verricht, vóór verlagingen en uitsluitingen bedoeld in titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009.
6. Voor de in de dit artikel bedoelde berekeningsmethoden kunnen de lidstaten, mits de relevante sectoren geen vrijwillige gekoppelde steun uit hoofde van titel IV ontvangen, ook rekening houden met de steun die voor het kalenderjaar 2014 is verleend in het kader van een of meer regelingen overeenkomstig artikel 52, artikel 53, lid 1, artikel 68, lid 1, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 73/2009, en, voor de lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 toepasten, overeenkomstig artikel 68, lid 1, onder c), en de artikelen 126, 127 en 129 van die verordening.
Lidstaten die evenwel besloten hebben de vrijwillige gekoppelde steun uit hoofde van titel IV van deze verordening toe te passen, kunnen bij de toepassing van de berekeningsmethoden voor de in dit artikel bedoelde verhoging rekening houden met de verschillen tussen het niveau van de in kalenderjaar 2014 toegekende steun en het niveau van de overeenkomstig titel IV van deze verordening toe te kennen steun, op voorwaarde dat:
a) de vrijwillige gekoppelde steun uit hoofde van titel IV wordt toegewezenop een sector die in het kalenderjaar 2014 steun toegewezen gekregen had uit hoofde van artikel 52, artikel 53, lid 1, artikel 68, lid 1, onder a) en b), en, voor de lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepasten, uit hoofde van artikel 68, lid 1, onder c), en de artikelen 126, 127 en 129 van Verordening (EG) nr. 73/2009; en
b) het bedrag per eenheid van de vrijwillig gekoppeldesteun is lager dan het bedrag per eenheid van steun in 2014.