Art. 306 Verordening (EU) nr. 575/2013, Eigenvermogensvereisten voor CTP-transactieblootstellingen

Verordening (EU) nr. 575/2013

1. Een instelling past de volgende behandeling toe op haar CTP-transactieblootstellingen:

a) zij past een risicogewicht van 2 % toe op de blootstellingswaarden van al haar CTP-transactieblootstellingen;

b) zij past het risicogewicht dat wordt gebruikt voor de standaardbenadering van kredietrisico's als vermeld in artikel 107, lid 2, onder b), toe op al haar transactieblootstellingen met niet-gekwalificeerde CTP's;

c) indien een instelling als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt en in de voorwaarden van de CTP-gerelateerde transactie is bepaald dat de instelling bij wanbetaling van de CTP niet verplicht is de cliënt te vergoeden voor eventuele verliezen ten gevolge van veranderingen in de waarde van die transactie, is de blootstellingswaarde van de transactie met de CTP die met die CTP-gerelateerde transactie overeenstemt gelijk aan nul.

2. Niettegenstaande lid 1 kan een instelling, indien de activa die als zekerheid bij een CTP of een clearinglid zijn gestort buiten het faillissement vallen ingeval de CTP, het clearinglid of een of meer van de andere cliënten van het clearinglid insolvent worden, als blootstellingswaarde nul toekennen aan de CCR-blootstellingen voor die activa.

3. Een instelling berekent de blootstellingswaarden van haar CTP-transactieblootstellingen overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk, naar gelang van het geval.

4. Een instelling berekent de risicogewogen posten voor haar CTP-transactieblootstellingen voor de toepassing van de artikelen 92, lid 3 als de som van de blootstellingswaarden van haar overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel berekende CTP-transactieblootstellingen, vermenigvuldigd met het overeenkomstig lid 1 van dit artikel bepaalde risicogewicht.

Vorige artikelen

Volgende artikelen