Art. 303 Verordening (EU) nr. 575/2013, Behandeling van blootstellingen ten aanzien van CTP's van clearingleden
1. Indien een instelling als clearinglid optreedt, hetzij voor eigen doeleinden of als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP, berekent zij de eigenvermogensvereisten voor haar blootstellingen aan een CTP overeenkomstig de artikelen 301, leden 2 en 3.
2. Indien een instelling als clearinglid optreedt en in die hoedanigheid als financieel tussenpersoon tussen een cliënt en een CTP optreedt, berekent zij de eigenvermogensvereisten voor haar CTP-gerelateerde transacties met de cliënt overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk, voor zover van toepassing.
3. Indien een instelling een cliënt van een clearinglid is, berekent zij de eigenvermogensvereisten voor haar CTP-gerelateerde transacties met het clearinglid overeenkomstig de afdelingen 1 tot en met 8 van dit hoofdstuk, voor zover van toepassing.
4. Als alternatief voor de in lid 3 gespecificeerde benadering kan een instelling, indien zij een cliënt is, de eigenvermogensvereisten voor haar CTP-gerelateerde transacties met het clearinglid berekenen overeenkomstig artikel 305, lid 2, mits beide volgende voorwaarden vervuld zijn:
a) de posities en activa van die instelling die betrekking hebben op die transacties worden, zowel op het niveau van het clearinglid als op het niveau van de CTP, onderscheiden en gescheiden, in de zin van artikel 39 van Verordening (EU) nr. 648/2012 (EMIR), van de posities en activa van zowel het clearinglid als de andere cliënten van dat clearinglid; door die scheiding vallen die posities en activa buiten het faillissement in geval van wanbetaling door of insolventie van het clearinglid of een of meer van zijn andere cliënten;
b) de wetten, voorschriften, regels en contractuele regelingen die van toepassing zijn op of bindend zijn voor die instelling of de CTP waarborgen in geval van wanbetaling of insolventie van het clearinglid de overboeking van de posities van de instelling met betrekking tot die overeenkomsten en transacties en van de bijbehorende zekerheden naar een ander clearinglid binnen de toepasselijke margerisicoperiode.
5. Indien een instelling die als clearinglid optreedt, met een cliënt van een ander clearinglid een contractuele regeling aangaat om voor die cliënt de in lid 4, punt b), bedoelde overboekbaarheid van activa en posities te waarborgen, mag die instelling een blootstellingswaarde van nul toekennen aan de voorwaardelijke verplichting die als gevolg van die contractuele regeling ontstaat.