Art. 282 Verordening (EU) nr. 575/2013, Samenstellen van afdekkingsinstrumenten

Verordening (EU) nr. 575/2013

1. De instellingen stellen samenstellen van afdekkingsinstrumenten vast overeenkomstig de leden 2 tot en met 5.

2. Er is één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elke uitgevende instelling van een referentieschuldinstrument dat de onderliggende waarde van een kredietverzuimswap vormt.

Basketkredietverzuimswaps voor het n-de kredietverzuim worden als volgt behandeld:

a) de omvang van een risicopositie in een referentieschuldinstrument in een basket die de onderliggende waarde van een kredietverzuimswap voor de n-de wanbetaling vormt, is de effectieve notionele waarde van het referentieschuldinstrument, vermenigvuldigd met de gewijzigde duration van het derivaat voor de n-de wanbetaling als gevolg van een verandering in de creditspread van het referentieschuldinstrument;

b) er is één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elk referentieschuldinstrument in een basket die de onderliggende waarde van een bepaalde kredietverzuimswap voor de n-de wanbetaling vormt. Risicoposities die uit verschillende kredietverzuimswaps voor de n-de wanbetaling voortvloeien, worden niet in hetzelfde samenstel van afdekkingsinstrumenten opgenomen;

c) de CCR-vermenigvuldigingsfactor voor elk samenstel van afdekkingsinstrumenten voor een van de referentieschuldinstrumenten van een derivaat voor de n-de wanbetaling bedraagt:

i) 0,3 % voor referentieschuldinstrumenten die door een erkende EKBI een kredietbeoordeling hebben gekregen welke overeenkomt met kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3;

ii) 0,6 % voor andere schuldinstrumenten.

3. Voor renterisicoposities die voortvloeien uit:

a) gelddeposito's die als zekerheid bij een tegenpartij worden gestort, wanneer deze tegenpartij geen schuldverplichtingen van een laag specifiek risico heeft;

b) onderliggende schuldinstrumenten waarop overeenkomstig tabel 1 van artikel 336 een kapitaalopslag van meer dan 1,60 % van toepassing is;

is er één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elke uitgevende instelling.

Wanneer een betalingsgedeelte is geënt op zulk een schuldinstrument, is er eveneens één samenstel van afdekkingsinstrumenten voor elke uitgevende instelling van het referentieschuldinstrument.

Een instelling kan risicoposities die voortvloeien uit schuldinstrumenten van een bepaalde uitgevende instelling of uit referentieschuldinstrumenten van dezelfde uitgevende instelling waarop betalingsgedeelten zijn geënt of welke de onderliggende waarde van een kredietverzuimswap vormen, in hetzelfde samenstel van afdekkingsinstrumenten onderbrengen.

4. Andere onderliggende financiële instrumenten dan schuldinstrumenten worden alleen in dezelfde samenstellen van afdekkingsinstrumenten ondergebracht indien het identieke of vergelijkbare instrumenten betreft. In alle andere gevallen worden zij in afzonderlijke samenstellen van afdekkingsinstrumenten ondergebracht.

Voor de toepassing van dit lid bepalen de instellingen of onderliggende instrumenten vergelijkbaar zijn op basis van de volgende beginselen:

a) wat aandelen betreft, is de onderliggende waarde vergelijkbaar indien deze door dezelfde uitgevende instelling wordt uitgegeven. Een aandelenindex wordt als een afzonderlijke uitgevende instelling behandeld;

b) wat edele metalen betreft, is de onderliggende waarde vergelijkbaar indien deze hetzelfde metaal is. Een index voor edele metalen wordt als een afzonderlijk edel metaal behandeld;

c) wat elektrische energie betreft, is de onderliggende waarde vergelijkbaar indien de leveringsrechten en -verplichtingen naar dezelfde pieklast- of basislast-tijdinterval binnen een periode van 24 uur verwijzen;

d) wat grondstoffen betreft, is de onderliggende waarde vergelijkbaar indien deze dezelfde grondstof is. Een grondstoffenindex wordt als een afzonderlijke grondstof behandeld.

5. De CCR-vermenigvuldigingsfactoren (CCRM) voor de verschillende categorieën van samenstellen van afdekkingsinstrumenten worden in de volgende tabel aangegeven:

Tabel 5

Categorieën van samenstellen van afdekkingsinstrumenten

CCRM

1.

Rentetarieven

0,2 %

2.

Rentetarieven voor risicoposities die voortvloeien uit een referentieschuldinstrument dat de onderliggende waarde van een kredietverzuimswap vormt en waarop volgens tabel 1 van titel IV, hoofdstuk 2, een kapitaalopslag van 1,60 % of minder van toepassing is

0,3 %

3.

Rentetarieven voor risicoposities die voortvloeien uit een schuldinstrument of een referentieschuldinstrument waarop volgens tabel 1 van titel IV, hoofdstuk 2, een kapitaalopslag van meer dan 1,60 % van toepassing is

0,6 %

4.

Wisselkoersen

2,5 %

5.

Elektrische energie

4 %

6.

Goud

5 %

7.

Aandelen

7 %

8.

Edele metalen (andere dan goud)

8,5 %

9.

Andere grondstoffen (met uitzondering van edele metalen en elektrische energie)

10 %

10.

Tot geen enkele van de bovengenoemde categorieën behorende onderliggende instrumenten van otc-derivaten

10 %

Onderliggende instrumenten van otc-derivaten als bedoeld in tabel 5, punt 10, worden per categorie onderliggend instrument in afzonderlijke samenstellen van afdekkingsinstrumenten ondergebracht.

6. Voor transacties met een niet-lineair risicoprofiel of voor betalingsgedeelten en transacties met schuldinstrumenten als onderliggende waarde waarvoor de instelling geen delta of, naargelang van het geval, geen gewijzigde duration kan bepalen met een instrumentmodel dat door de bevoegde autoriteiten voor het bepalen van de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico is goedgekeurd, bepaalt de bevoegde autoriteit de omvang van de risicoposities en de toe te passen CCRMj's op voorzichtige wijze of verlangt zij dat de instelling de in afdeling 3 beschreven methode toepast. Verrekening wordt niet in aanmerking genomen (d.w.z. de blootstellingswaarde wordt bepaald alsof er een samenstel van verrekenbare transacties bestaat waarin uitsluitend een afzonderlijke transactie is opgenomen).

7. Een instelling beschikt over interne procedures om, voordat zij de desbetreffende transactie in een samenstel van verrekenbare transacties opneemt, te verifiëren of een transactie valt onder een in rechte afdwingbare verrekeningsovereenkomst die aan de in afdeling 7 beschreven vereisten voldoet.

8. Een instelling die gebruik maakt van zekerheden om haar CCR te limiteren, beschikt over interne procedures om te verifiëren of een zekerheid aan de rechtszekerheidsvereisten van hoofdstuk 4 voldoet voordat zij de impact van de zekerheden in haar berekeningen meeneemt.

Vorige artikelen

Volgende artikelen