Art. 265 Verordening (EU) nr. 575/2013, Additionele eigenvermogensvereisten voor securitisaties van revolverende blootstellingen met vervroegdeaflossingsbepalingen
1. Naast de met betrekking tot haar securitisatieposities berekende risicogewogen posten berekent een initiërende instelling een risicogewogen post volgens de in artikel 256 beschreven methode wanneer zij revolverende blootstellingen verkoopt in het kader van een securitisatie met een vervroegdeaflossingsbepaling.
2. In afwijking van artikel 256 is de blootstellingswaarde van het belang van de initiator de som van de volgende posten:
a) de blootstellingswaarde van het notionele gedeelte van een in het kader van een securitisatie verkochte pool van opgenomen bedragen, waarvan de verhouding ten opzichte van het bedrag van de totale in het kader van de structuur verkochte pool het gedeelte van de kasstromen bepaalt die worden gegenereerd door de inning van aflossingsbetalingen op de hoofdsom en van rentebetalingen en andere daarmee samenhangende bedragen en die niet beschikbaar zijn om betalingen te verrichten aan degenen die posities in de securitisatie hebben;
b) de blootstellingswaarde van het gedeelte van de pool van niet-opgenomen bedragen van de kredietlijnen waarvan de opgenomen bedragen in het kader van de securitisatie zijn verkocht, waarvan de verhouding ten opzichte van het totale bedrag van dergelijke niet-opgenomen bedragen dezelfde is als de verhouding van de in punt a) beschreven blootstellingswaarde en de blootstellingswaarde van de pool van opgenomen bedragen die in het kader van de securitisatie zijn verkocht.
Het belang van de initiator is niet achtergesteld aan het belang van de beleggers.
De blootstellingswaarde van het belang van de beleggers is de blootstellingswaarde van het notionele gedeelte van de pool van opgenomen bedragen dat niet onder punt a) valt, plus de blootstellingswaarde van het gedeelte van de pool van niet-opgenomen bedragen van kredietlijnen waarvan de opgenomen bedragen in het kader van de securitisatie zijn verkocht, dat niet onder punt b) valt.
3. De risicogewogen post met betrekking tot de blootstellingswaarde van het belang van de initiator overeenkomstig lid 2, punt a), wordt berekend als de blootstellingswaarde van een blootstelling die evenredig is met de gesecuritiseerde blootstellingen alsof deze niet gesecuritiseerd waren en een blootstelling die evenredig is met de niet-opgenomen bedragen van de kredietlijnen waarvan de opgenomen bedragen in het kader van de securitisatie zijn verkocht.