Art. 62 Verordening (EU) 2019/2033, Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 575/2013

Verordening (EU) 2019/2033

Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1) de titel wordt vervangen door het volgende:

"Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012".

2) aan artikel 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"5. Bij de toepassing van de bepalingen van artikel 1, leden 2 en 5, van Verordening (EU) 2019/2033 van het Europees Parlement en de Raad (*3) ten aanzien van in die leden bedoelde beleggingsondernemingen behandelen de bevoegde autoriteiten als omschreven in artikel 3, lid 1, punt 5, van richtlijn (EU) 2019/2034 van het Europees Parlement en de Raad (*4) die beleggingsondernemingen alsof zij "instellingen" uit hoofde van deze verordening zijn.

(*3) Verordening (EU) 2019/2033van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 575/2013, (EU) nr. 600/2014 en (EU) nr. 806/2014 (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 1)."

(*4) Richtlijn (EU) 2019/2034van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/87/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/59/EU en 2014/65/EU (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 64).";"

3) artikel 4, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:

a) punt 1 wordt vervangen door:

"1) "kredietinstelling": een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan uit een van de volgende activiteiten:

a) het bij het publiek aantrekken van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening;

b) het uitvoeren van in de deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (*5) bedoelde activiteiten, waarbij een van de volgende voorwaarden van toepassing is, maar de onderneming geen grondstoffen- en emissierechtenhandelaar, geen instelling voor collectieve belegging of geen verzekeringsonderneming is:

i) de totale waarde van de geconsolideerde activa van de onderneming is gelijk aan of bedraagt meer dan 30 miljard EUR;

ii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard EUR, en de onderneming is onderdeel van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen die groep die elk afzonderlijk minder dan 30 miljard EUR aan totale activa bezitten en die een van de in deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten uitoefenen, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard EUR; of

iii) de totale waarde van de activa van de onderneming bedraagt minder dan 30 miljard EUR, en de onderneming is onderdeel van een groep waarin de totale waarde van de geconsolideerde activa van alle ondernemingen binnen de groep die een van de in deel A, punten 3 en 6, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU bedoelde activiteiten uitoefenen, gelijk is aan of groter is dan 30 miljard EUR, indien de geconsolideerde toezichthouder in overleg met het college van toezichthouders daartoe beslist om potentiële risico's van omzeiling en potentiële risico's voor de financiële stabiliteit van de Unie aan te pakken;

voor de toepassing van punt b), onder ii) en iii), worden, indien de onderneming deel uitmaakt van een groep uit een derde land, de totale activa meegerekend van ieder bijkantoor van de groep uit een derde land die in de Unie een vergunning heeft in de gecombineerde totale waarde van de activa van alle ondernemingen van de groep;

(*5) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van… betreffende prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijnen 2002/92/EG en 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).";"

b) punt 2 wordt vervangen door:

"2) "beleggingsonderneming": een beleggingsonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU, waaraan op grond van die richtlijn een vergunning is verleend, met uitsluiting van kredietinstellingen;";

c) punt 3 wordt vervangen door:

"3) "instelling": een kredietinstelling waaraan op grond van artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU een vergunning is verleend, of een onderneming als bedoeld in artikel 8 bis, lid 3, ervan;";

d) punt 4 wordt geschrapt;

e) punt 26 wordt vervangen door:

"26) "financiële instelling": een onderneming die geen instelling en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van één of meer van de in de punten 2 tot en met 12 en punt 15 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU vermelde werkzaamheden, met inbegrip van een beleggingsonderneming, een financiële holding, een gemengde financiële holding, een beleggingsholding, een betalingsinstelling in de zin van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad (*6) en een vermogensbeheerder, maar met uitsluiting van verzekeringsholdings en gemengde verzekeringsholdings in de zin van artikel 212, lid 1, punten f) en g), van Richtlijn 2009/138/EG;";

(*6) Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).";"

f) punt 29 bis wordt vervangen door:

"29 bis)

"moederbeleggingsonderneming in een lidstaat": een moederonderneming in een lidstaat die een beleggingsonderneming is;";

g) punt 29 ter wordt vervangen door:

"29 ter)

"EU-moederbeleggingsonderneming": een EU-moederonderneming die een beleggingsonderneming is;";

h) punt 51 wordt vervangen door:

"51) "aanvangskapitaal": de hoeveelheden en soorten eigen vermogen die in artikel 12 van Richtlijn 2013/36/EU zijn vastgesteld;";

i) punt 60 wordt vervangen door:

"60) met contante geldmiddelen vergelijkbaar instrument": een certificaat van deposito, een obligatie, met inbegrip van een gedekte obligatie of enig ander niet-achtergesteld instrument dat door een instelling of een beleggingsonderneming wordt uitgegeven, waarvoor de instelling of beleggingsonderneming reeds de volledige betaling heeft ontvangen en dat onvoorwaardelijk door de instelling of beleggingsonderneming tegen de nominale waarde wordt terugbetaald;";

j) in punt 72, wordt punt a) vervangen door:

"a) ze is een gereglementeerde markt of een markt van een derde land die overeenkomstig de in artikel 25, lid 4, punt a), van Richtlijn 2014/65/EU bepaalde procedure als gelijkwaardig aan een gereglementeerde markt geacht wordt;";

k) het volgende punt wordt toegevoegd:

"150) "grondstoffen- en emissierechtenhandelaar": een onderneming waarvan de hoofdactiviteit uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of ‐activiteiten met betrekking tot grondstoffenderivaten of grondstofgerelateerde derivatencontracten als bedoeld in deel C, punten 5, 6, 7, 9 en 10, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU, emissierechtengerelateerde derivatencontracten als bedoeld in deel C, punt 4, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU, of emissierechten als bedoeld in deel C, punt 11, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU;";

4) artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 4 wordt vervangen door:

"4. De instellingen voldoen op individuele basis aan de in deel zes en in artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening bepaalde verplichtingen.

De volgende instellingen hoeven niet te voldoen aan artikel 413, lid 1, en aan de daarmee verband houdende rapportagevereisten inzake liquiditeit van deel zeven bis van deze verordening:

a) instellingen waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012;

b) instellingen waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 16 en artikel 54, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad (*7), mits zij geen significante looptijdtransformaties verrichten; en

c) instellingen die overeenkomstig artikel 54, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 909/2014 zijn aangewezen, mits:

i) hun activiteiten beperkt zijn tot het aanbieden van bancaire diensten als bedoeld in afdeling C van de bijlage bij die verordening aan centrale effectenbewaarinstellingen waaraan overeenkomstig artikel 16 van die verordening een vergunning is verleend; en

ii) zij geen significante looptijdtransformaties verrichten.

(*7) Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).";"

b) lid 5 wordt vervangen door:

"5. Instellingen waarop door bevoegde autoriteiten de bij artikel 7, lid 1 of lid 3, van deze verordening bepaalde afwijking is toegepast en instellingen waaraan ook een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012, hoeven niet op individuele basis te voldoen aan de in deel zeven neergelegde verplichtingen en aan de daarmee verband houdende rapportagevereisten inzake de hefboomratio die zijn neergelegd in deel zeven bis van deze verordening.";

5) in deel één, titel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, wordt het volgende artikel ingevoegd:

"Artikel 10 bis

Toepassing van prudentiële vereisten op geconsolideerde basis ingeval beleggingsondernemingen moederondernemingen zijn

Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden beleggingsondernemingen beschouwd als financiële moederholdings in een lidstaat of financiële EU-moederholdings indien die beleggingsondernemingen moederonderneming van een instelling of van een onder deze verordening vallende beleggingsonderneming als bedoeld in artikel 1, lid 2 of lid 5, van Verordening (EU) 2019/2033 zijn.";

6) in artikel 11 wordt lid 4 vervangen door:

"4. EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie aan deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening indien de groep uit één of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen bestaat waaraan een vergunning is verleend voor het verstrekken van de in afdeling A, punten 3 en 6, van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten.

Indien er uit hoofde van artikel 8, leden 1 tot en met 5, ontheffing is verleend, voldoen de instellingen en, in voorkomend geval, de financiële holdings of gemengde financiële holdings die deel uitmaken van een liquiditeitssubgroep, op geconsolideerde basis of op de gesubconsolideerde basis van de liquiditeitssubgroep aan deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening.";

7) de artikelen 15, 16 en 17 worden geschrapt;

8) in artikel 81, lid 1, wordt punt a) vervangen door:

"a) de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

i) een instelling;

ii) een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht aan de vereisten van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU is onderworpen;

iii) een financiële tussenholding of gemengde financiële tussenholding die op gesubconsolideerde basis aan de vereisten van deze verordening is onderworpen of een beleggingstussenholding die op geconsolideerde basis aan de vereisten van Verordening (EU) 2019/2033 is onderworpen;

iv) een beleggingsonderneming;

v) een financiële tussenholding in een derde land, mits die financiële tussenholding onderworpen is aan even strenge prudentiële vereisten als kredietinstellingen van dat derde land, en mits de Commissie overeenkomstig artikel 107, lid 4, een besluit heeft vastgesteld waarin is bepaald dat die prudentiële vereisten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening;";

9) in artikel 82 wordt punt a) vervangen door:

"a) de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:

i) een instelling;

ii) een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht aan de vereisten van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU is onderworpen;

iii) een financiële tussenholding of gemengde financiële tussenholding die op gesubconsolideerde basis aan de vereisten van deze verordening is onderworpen of een beleggingstussenholding die op geconsolideerde basis aan de vereisten van Verordening (EU) 2019/2033 is onderworpen;

iv) een beleggingsonderneming;

v) een financiële tussenholding in een derde land, mits die financiële tussenholding onderworpen is aan even strenge prudentiële vereisten als kredietinstellingen van dat derde land, en mits de Commissie overeenkomstig artikel 107, lid 4, een besluit heeft genomen waarin is bepaald dat die prudentiële vereisten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening;";

10) artikel 84 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt vervangen door:

"1. De instellingen bepalen het bedrag aan minderheidsbelangen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde tier 1‐kernkapitaal wordt opgenomen door het onder a) bedoelde bedrag, vermenigvuldigd met het onder b) bedoelde percentage, af te trekken van de minderheidsbelangen van die onderneming, en wel als volgt:

a) het tier 1‐kernkapitaal van de dochteronderneming, verminderd met het laagste van de volgende twee bedragen:

i) het bedrag van het tier 1‐kernkapitaal van die dochteronderneming dat nodig is om te voldoen aan:

— de som van het in artikel 92, lid 1, punt a), van deze verordening vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 van deze verordening bedoelde vereisten en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover het tier 1‐kernkapitaal daaraan moet voldoen,

— indien de dochteronderneming een beleggingsonderneming is, de som van het vereiste bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033, het specifieke eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 39, lid 2, punt a), van Richtlijn (EU) 2019/2034, en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan voldaan moet worden met tier 1‐kernkapitaal;

ii) het bedrag van het geconsolideerde tier 1‐kernkapitaal dat op die dochteronderneming betrekking heeft en dat op geconsolideerde basis nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt a), van deze verordening vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 van deze verordening bedoelde vereisten en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan voldaan moet worden met tier 1‐kernkapitaal;

b) de minderheidsbelangen van de dochteronderneming, uitgedrukt als een percentage van alle tier 1-kernkapitaalinstrumenten van die onderneming plus de daaraan gerelateerde agiorekeningen, ingehouden winsten en andere reserves.";

b) lid 3 wordt vervangen door:

"3. Indien een bevoegde autoriteit afwijkt van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis als bedoeld in artikel 7 van deze verordening, of, naargelang het geval, als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) 2019/2033, worden minderheidsbelangen in de dochterondernemingen waarop de ontheffing van toepassing is, niet erkend als eigen vermogen op gesubconsolideerde basis of op geconsolideerde basis, naargelang het geval.";

11) artikel 85 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt vervangen door:

"1. De instellingen bepalen het bedrag aan in aanmerking komend tier 1‐kapitaal van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde eigen vermogen wordt opgenomen, door het onder a) bedoelde bedrag, vermenigvuldigd met het onder b) bedoelde percentage, af te trekken van het in aanmerking komend tier 1‐kapitaal van die onderneming, en wel als volgt:

a) het tier 1‐kapitaal van de dochteronderneming, verminderd met het laagste van de volgende twee bedragen:

i) het bedrag van het tier 1‐kapitaal van de dochteronderneming dat nodig is om te voldoen aan:

— de som van het in artikel 92, lid 1, punt b), van deze verordening vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 van deze verordening bedoelde vereisten, en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan voldaan moet worden met tier 1‐kapitaal;

— indien de dochteronderneming een beleggingsonderneming is, de som van het vereiste bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033, het specifieke eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 39, lid 2, punt a), van Richtlijn (EU) 2019/2034, en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan voldaan moet worden met tier 1‐kapitaal;

ii) het bedrag van het geconsolideerde tier 1‐kapitaal dat op die dochteronderneming betrekking heeft en dat op geconsolideerde basis nodig is om te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt b), van deze verordening, vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 van deze verordening bedoelde vereisten, en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen, voor zover daaraan voldaan moet worden met tier 1‐kapitaal;

b) het in aanmerking komend tier 1-kapitaal van de dochteronderneming, uitgedrukt als percentage van alle tier 1-instrumenten van die onderneming plus de daaraan gerelateerde agiorekeningen, ingehouden winsten en andere reserves.";

b) lid 3 wordt vervangen door:

"3. Indien een bevoegde autoriteit afwijkt van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis als bedoeld in artikel 7 van deze verordening, of, waar van toepassing, als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) 2019/2033, worden tier 1‐instrumenten in de dochterondernemingen waarop de ontheffing van toepassing is, niet erkend als eigen vermogen op gesubconsolideerde basis of op geconsolideerde basis, naargelang het geval.";

12) artikel 87 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt vervangen door:

"1. De instellingen bepalen het bedrag aan in aanmerking komend eigen vermogen van een dochteronderneming dat in het geconsolideerde eigen vermogen wordt opgenomen, door het onder a) bedoelde bedrag, vermenigvuldigd met het onder b) bedoelde percentage, af te trekken van het in aanmerking komend eigen vermogen van die onderneming en wel als volgt:

a) het eigen vermogen van de dochteronderneming, verminderd met het laagste van de volgende twee bedragen:

i) het bedrag van het eigen vermogen van de dochteronderneming dat nodig is om te voldoen aan:

— de som van het in artikel 92, lid 1, punt c), van deze verordening, vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 van deze verordening bedoelde vereisten, en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen;

— indien de dochteronderneming een beleggingsonderneming is, de som van het vereiste bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) 2019/2033, het specifieke eigenvermogensvereiste bedoeld in artikel 39, lid 2, punt a), van Richtlijn (EU) 2019/2034, en eventuele aanvullende lokale toezichtsvereisten in derde landen;

ii) het bedrag van het eigen vermogen dat op de dochteronderneming betrekking heeft en dat nodig is om op geconsolideerde basis te voldoen aan de som van het in artikel 92, lid 1, punt c), van deze verordening, vastgestelde vereiste, de in de artikelen 458 en 459 van deze verordening bedoelde vereisten, de specifieke eigenvermogensvereisten van artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EU, het in artikel 128, punt 6, van die richtlijn gedefinieerde gecombineerde buffervereiste, de in artikel 500 van deze verordening bedoelde vereisten en eventuele aanvullende lokale toezichtsgerelateerde eigenvermogensvereisten in derde landen;

b) het in aanmerking komend eigen vermogen van de onderneming, uitgedrukt als een percentage van alle eigenvermogensinstrumenten van de dochteronderneming die in de tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-bestanddelen zijn opgenomen, en de daaraan gerelateerde agiorekeningen, ingehouden winsten en andere reserves.";

b) lid 3 wordt vervangen door:

"3. Indien een bevoegde autoriteit afwijkt van de toepassing van prudentiële vereisten op individuele basis als bedoeld in artikel 7 van deze verordening, of, naargelang het geval, als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) 2019/2033, worden eigenvermogensinstrumenten in de dochterondernemingen waarop de ontheffing van toepassing is, niet erkend als eigen vermogen op gesubconsolideerde basis of op geconsolideerde basis, naargelang het geval.";

13) artikel 93 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 3 wordt geschrapt;

b) de leden 4, 5 en 6 worden vervangen door:

"4. Indien de zeggenschap over een instelling die tot de in lid 2 bedoelde categorie behoort, wordt overgenomen door een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over deze instelling uitoefende, is het bedrag van het eigen vermogen van die instelling ten minste gelijk aan het vereiste aanvangskapitaal.

5. Bij een fusie tussen twee of meer tot de in lid 2 bedoelde categorie behorende instellingen mag het bedrag van het eigen vermogen van de uit de fusie ontstane instelling niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde instellingen op de datum van de fusie, zolang het vereiste aanvangskapitaal niet is bereikt.

6. Indien de bevoegde autoriteiten het nodig achten dat wordt voldaan aan het in lid 1 vastgestelde vereiste om de solvabiliteit van de instelling te garanderen, zijn de bepalingen van de leden 2, 4 en 5 niet van toepassing.";

14) in deel drie, titel I, hoofdstuk 1, wordt afdeling 2 (de artikelen 95 tot en met 98) geschrapt met ingang van 26 juni 2026;

15) in artikel 119 wordt lid 5 vervangen door:

"5. Blootstellingen met betrekking tot financiële instellingen waaraan een vergunning is verleend door en die onder toezicht staan van de bevoegde autoriteiten, en die onderworpen zijn aan prudentiële vereisten die qua degelijkheid vergelijkbaar zijn met die welke op instellingen worden toegepast, worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot instellingen.

Voor de toepassing van dit lid worden de in Verordening (EU) 2019/2033 vastgestelde prudentiële vereisten geacht qua degelijkheid vergelijkbaar te zijn met die welke op instellingen worden toegepast.";

16) in artikel 162, lid 3, tweede alinea, wordt punt a) vervangen door:

"a) blootstellingen aan instellingen of beleggingsondernemingen die voortvloeien uit het voldoen aan valutaverplichtingen;";

17) artikel 197 wordt als volgt gewijzigd:

a) in lid 1 wordt punt c) vervangen door:

"c) schuldtitels, uitgegeven door instellingen of beleggingsondernemingen waarvan de effecten een kredietbeoordeling hebben van een EKBI welke door de EBA is ondergebracht in kredietkwaliteitscategorie 3 of hoger conform de in hoofdstuk 2 vervatte voorschriften voor het toekennen van risicogewichten aan blootstellingen met betrekking tot instellingen;";

b) in lid 4 wordt de aanhef vervangen door:

"4. Een instelling kan schuldtitels die worden uitgegeven door andere instellingen of beleggingsondernemingen en die geen kredietbeoordeling van een EKBI hebben, als toelaatbare zekerheid gebruiken indien die schuldtitels aan elk van de volgende criteria voldoen:";

18) in artikel 200 wordt punt c) vervangen door:

"c) door een derde instelling of door een beleggingsonderneming uitgegeven instrumenten die op verzoek door die instelling of door die beleggingsonderneming worden teruggekocht.";

19) in artikel 202 wordt de aanhef vervangen door:

"Een instelling kan instellingen, beleggingsondernemingen, verzekerings- en herverzekeringsondernemingen en exportkredietverzekeringsmaatschappijen gebruiken als toelaatbare verschaffers van niet-volgestorte kredietprotectie die voor de in artikel 153, lid 3, beschreven behandeling in aanmerking komen, indien zij alle volgende voorwaarden vervullen:";

20) in artikel 224 wordt lid 6 vervangen door:

"6. Op door instellingen of beleggingsondernemingen uitgegeven schuldtitels zonder externe rating die voldoen aan de toelaatbaarheidscriteria van artikel 197, lid 4, zijn dezelfde volatiliteitsaanpassingen van toepassing als die welke van toepassing zijn op door instellingen of ondernemingen uitgegeven effecten waarvan de externe kredietbeoordeling in kredietkwaliteitscategorie 2 of 3 is ondergebracht.";

21) in artikel 227, lid 3, wordt het volgende punt ingevoegd:

"b bis)

beleggingsondernemingen;";

22) in artikel 243, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:

"In het geval van handelsvorderingen is de eerste alinea, punt b), niet van toepassing indien het kredietrisico van die handelsvorderingen volledig gedekt is door toelaatbare kredietprotectie overeenkomstig hoofdstuk 4, mits in dat geval de protectiegever een instelling, een beleggingsonderneming, een verzekeringsonderneming of een herverzekeringsonderneming is.";

23) in artikel 382, lid 4, wordt punt b) vervangen door:

"b) intragroeptransacties als bepaald in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 648/2012, tenzij de lidstaten nationale wetgeving vaststellen op grond waarvan entiteiten binnen een bankgroep structureel moeten worden gescheiden, in welk geval de bevoegde autoriteiten kunnen eisen dat die intragroeptransacties tussen de structureel gescheiden entiteiten worden opgenomen in de eigenvermogensvereisten;";

24) artikel 388 wordt geschrapt;

25) in artikel 395 wordt lid 1 vervangen door:

"1. Een instelling gaat geen blootstelling jegens een cliënt of een groep van verbonden cliënten aan waarvan de waarde, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, 25 % van haar tier 1‐kapitaal overschrijdt. Indien die cliënt een instelling of een beleggingsonderneming is of indien een groep van verbonden cliënten één of meer instellingen of beleggingsondernemingen omvat, is die waarde niet hoger dan 25 % van het tier 1‐kapitaal van de instelling of – als dit meer is – 150 miljoen EUR, met dien verstande dat de som van de blootstellingswaarden met betrekking tot alle verbonden cliënten die geen instelling zijn, na inaanmerkingneming van het effect van de kredietrisicolimitering overeenkomstig de artikelen 399 tot en met 403, niet hoger is dan 25 % van het tier 1‐kapitaal van de instelling.";

26) in artikel 402 wordt lid 3 als volgt gewijzigd:

a) punt a) wordt vervangen door:

"a) de tegenpartij is een instelling of een beleggingsonderneming;";

b) punt e) wordt vervangen door:

"e) de instelling rapporteert het totale bedrag van de blootstellingen met betrekking tot iedere andere instelling of beleggingsonderneming welke overeenkomstig dit lid worden behandeld, aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 394.";

27) in artikel 412 wordt lid 4 bis vervangen door:

"4 bis. De in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handelingen zijn van toepassing op instellingen.";

28) in artikel 422, lid 8, punt a), wordt punt i) vervangen door:

"i) een moeder- of dochterinstelling van de instelling of een moeder- of dochterbeleggingsonderneming van de instelling of een andere dochterinstelling van dezelfde moederinstelling of moederbeleggingsonderneming;";

29) in artikel 428 bis wordt punt d) geschrapt;

30) in artikel 430 ter wordt lid 1 vervangen door:

"1. Met ingang van de datum van toepassing van de in artikel 461 bis bedoelde gedelegeerde handeling, rapporteert een kredietinstelling die niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 94, lid 1, noch aan de voorwaarden van artikel 325 bis, lid 1, voor al haar handelsportefeuille- en niet handelsportefeuilleposities waaraan wisselkoers- of grondstoffenrisico's verbonden zijn, de resultaten van de berekening volgens de alternatieve standaardbenadering als beschreven in deel drie, titel IV, hoofdstuk 1 bis, op dezelfde basis als die waarop zulke instellingen de verplichtingen in artikel 92, lid 3, punt b), i), en punt c), rapporteert.";

31) in artikel 456, lid 1, worden de punten f) en g) geschrapt;

32) artikel 493 wordt als volgt gewijzigd:

a) lid 1 wordt vervangen door:

"Tot 26 juni 2021 zijn de bepalingen betreffende grote blootstellingen van de artikelen 387 tot en met 403 van deze verordening niet van toepassing op beleggingsondernemingen waarvan het hoofdbedrijf uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten in verband met de financiële instrumenten die worden beschreven in bijlage I, deel C, punten 5, 6, 7, 9, 10 en 11, bij Richtlijn 2014/65/EU, en waarop Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad (*8) op 31 december 2006 niet van toepassing was.

(*8) Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1).";"

b) lid 2 wordt geschrapt;

33) in artikel 498, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

"Tot 26 juni 2021 zijn de in deze verordening vervatte eigenvermogensvereisten niet van toepassing op beleggingsondernemingen waarvan het hoofdbedrijf uitsluitend bestaat in het verrichten van beleggingsdiensten of -activiteiten in verband met de financiële instrumenten die worden omschreven in bijlage I, deel C, punten 5, 6, 7, 9, 10 en 11, bij Richtlijn 2014/65/EU en waarop Richtlijn 2004/39/EG op 31 december 2006 niet van toepassing was.";

34) in artikel 508 worden de leden 2 en 3 geschrapt;

35) in bijlage I, punt 1, wordt punt d) vervangen door:

"d) endossementen van wissels die niet de handtekening van andere instellingen of beleggingsondernemingen dragen;";

36) bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a) in punt 3 wordt punt b) vervangen door:

"b) zij vormen geen verplichting van een instelling of beleggingsonderneming of een met haar verbonden entiteit.";

b) in punt 5 wordt punt b) vervangen door:

"b) zij vormen geen verplichting van een instelling of beleggingsonderneming of een met haar verbonden entiteit.";

c) in punt 6 wordt punt a) vervangen door:

"a) zij vormen geen vordering op een SSPE, een instelling of beleggingsonderneming of een met haar verbonden entiteit;

d) punt 7 wordt vervangen door:

"7. Andere dan de in de punten 3 tot en met 6 bedoelde effecten die in aanmerking komen voor een risicogewicht van 50 % of meer overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2, of die volgens een interne beoordeling een gelijkwaardige kredietkwaliteit hebben, en die geen vordering vormen op een SSPE, een instelling of beleggingsonderneming of een met haar verbonden entiteit.";

e) punt 11 wordt vervangen door:

"11. Beursverhandelde, centraal geclearde aandelen in het kernkapitaal die onderdeel zijn van een belangrijke aandelenindex, luiden in de binnenlandse valuta van de lidstaat en niet zijn uitgegeven door een instelling of beleggingsonderneming of door een met haar gelieerde onderneming.".