Art. 37 Verordening (EU) nr. 1031/2010, Definities ten behoeve van de op de andere veilingproducten dan financiële instrumenten in de zin van artikel 1, lid 3, van Richtlijn 2003/6/EG toepasselijke marktmisbruikregeling

Verordening (EU) nr. 1031/2010

Voor de toepassing van de artikelen 38 tot en met 43, die van toepassing zijn op andere veilingproducten dan financiële instrumenten in de zin van artikel 1, lid 3, van Richtlijn 2003/6/EG, wordt verstaan onder:

a) „voorwetenschap”: kennis van concrete informatie die niet openbaar is gemaakt, die direct of indirect betrekking heeft op één of meer veilingproducten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de biedprijs.

Met betrekking tot personen die met het uitbrengen van biedingen zijn belast, wordt onder voorwetenschap tevens verstaan kennis van concrete informatie die door een cliënt wordt verstrekt met betrekking tot de lopende biedingen van die cliënt, die direct of indirect betrekking heeft op één of meer veilingproducten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een aanzienlijke invloed zou kunnen hebben op de biedprijs;

b) „marktmanipulatie”:

i) biedingen of transacties en handelsorders op de secundaire markt:

— die onjuiste of misleidende signalen geven of kunnen geven met betrekking tot de vraag naar of de prijs van de veilingproducten, of

— waarbij een persoon, of twee of meer samenwerkende personen, de toewijzingsprijs van een veilingproduct op een abnormaal of kunstmatig niveau houdt of houden,

tenzij de persoon die de bieding heeft uitgebracht of die op de secundaire markt de transactie is aangegaan of de order heeft geplaatst, aantoont dat zijn beweegredenen om zulks te doen, gerechtvaardigd zijn;

ii) biedingen waarbij gebruik wordt gemaakt van een valse voorstelling van zaken of enigerlei andere vorm van list of bedrog;

iii) de verspreiding van informatie, via de media, met inbegrip van internet, of anderszins, die onjuiste of misleidende signalen geeft of kan geven met betrekking tot de veilingproducten, met inbegrip van de verspreiding van geruchten en onjuiste of misleidende berichten, waarvan de persoon die de informatie heeft verspreid, wist of had moeten weten dat de informatie onjuist of misleidend was. Ten aanzien van journalisten die in hun beroepshoedanigheid handelen, moet deze verspreiding van informatie worden beoordeeld met inachtneming van de gedragsregels die voor hun beroepsgroep gelden, tenzij deze personen direct of indirect voordeel of winst behalen uit de verspreiding van deze informatie.

Uit de in punt b) van de eerste alinea gegeven definitie kunnen in het bijzonder de volgende omstandigheden worden afgeleid:

— handelingen van een persoon, of van twee of meer samenwerkende personen, om een machtspositie te verwerven ten aanzien van de vraag naar een veilingproduct met als gevolg dat direct of indirect een toewijzingsprijs of andere onbillijke handelsvoorwaarden worden vastgesteld;

— het kopen of verkopen van emissierechten of daarvan afgeleide producten op de secundaire markt voordat de veiling plaatsvindt, om de toewijzingsprijs van de veilingproducten op een abnormaal of kunstmatig niveau te handhaven of om bieders in de veilingen te misleiden;

— het profiteren van incidentele of regelmatige toegang tot de traditionele of elektronische media door een oordeel over een veilingproduct kenbaar te maken na eerder een bieding op dat product te hebben uitgebracht, om nadien profijt te trekken van het effect dat dit kenbaar gemaakte oordeel heeft gehad op andere op dat product uitgebrachte biedingen, zonder tegelijkertijd deze belangenverstrengeling naar behoren en daadwerkelijk openbaar te hebben gemaakt.

Verwijst naar

Vorige artikelen

Volgende artikelen