Art. 53 Verordening (EG) nr. 1122/2009, Onderdelen van de controles ter plaatse
Verordening (EG) nr. 1122/2009
1. Bij de uitvoering van de controles op de in artikel 50 bedoelde steekproef zorgt de bevoegde controleautoriteit ervoor dat alle aldus geselecteerde landbouwers worden gecontroleerd ten aanzien van hun naleving van de eisen en normen die onder haar verantwoordelijkheid vallen.
Onverminderd de eerste alinea geldt dat, indien het minimumpercentage controles overeenkomstig artikel 50, lid 1, tweede alinea, wordt bereikt op het niveau van elk besluit, elke norm of elke groep besluiten of normen, de geselecteerde landbouwers worden gecontroleerd ten aanzien van hun naleving van het betrokken besluit, de betrokken norm of de betrokken groep besluiten of normen.
In het algemeen wordt elke voor een controle ter plaatse geselecteerde landbouwer gecontroleerd op een tijdstip waarop de naleving van het merendeel van de eisen en normen waarvoor hij is geselecteerd, kan worden gecontroleerd. De lidstaten garanderen evenwel dat gedurende het jaar een passende mate van controle voor alle eisen en normen wordt gerealiseerd.
2. De controles ter plaatse hebben, voor zover van toepassing, betrekking op alle landbouwgrond van het bedrijf. De feitelijke veldinspectie als onderdeel van een controle ter plaatse mag evenwel worden beperkt tot een steekproef die ten minste de helft omvat van de percelen landbouwgrond op het bedrijf waarvoor de eis of norm geldt, mits die steekproef ten aanzien van de eisen en normen een controleniveau garandeert dat betrouwbare en representatieve resultaten oplevert. Indien deze steekproefsgewijze controle niet-nalevingen aan het licht brengt, wordt de steekproef van percelen landbouwgrond die feitelijk worden geïnspecteerd, uitgebreid.
Voorts kan, indien dat in de voor het besluit of de normen geldende regelgeving zo is bepaald, de feitelijke inspectie inzake de naleving van de eisen en normen als onderdeel van een controle ter plaatse worden beperkt tot een representatieve steekproef uit de te controleren objecten. De lidstaten zorgen er echter voor dat de controles worden uitgevoerd voor alle eisen en normen waarvan de naleving op het tijdstip van het bezoek kan worden gecontroleerd.
3. De in lid 1 bedoelde controles worden in de regel uitgevoerd als onderdeel van één controlebezoek en hebben betrekking op de eisen en normen waarvan de naleving ten tijde van dat bezoek kan worden gecontroleerd, met het doel elke eventuele niet-naleving van die eisen en normen op te sporen en bovendien de gevallen te identificeren waarvoor moet worden voorgesteld verdere controles te verrichten.
4. Mits de lidstaat ervoor zorgt dat de doeltreffendheid van de controles ten minste gelijk is aan die welke wordt gerealiseerd wanneer de controles worden uitgevoerd door middel van controles ter plaatse, mogen controles op het niveau van de landbouwbedrijven worden vervangen door administratieve controles of door controles op het niveau van ondernemingen zoals bedoeld in artikel 51, lid 5, tweede alinea, onder b).
5. Bij de uitvoering van controles ter plaatse mogen de lidstaten gebruikmaken van objectieve controle-indicatoren voor bepaalde eisen en normen, mits zij ervoor zorgen dat de doeltreffendheid van de controle inzake de betrokken eisen en normen ten minste gelijk is aan die van de controles ter plaatse die worden uitgevoerd zonder indicatoren te gebruiken.
De indicatoren houden rechtstreeks verband met de eisen of normen die zij vertegenwoordigen, en hebben betrekking op alle elementen die bij een controle inzake die eisen of normen moeten worden gecontroleerd.
6. De controles ter plaatse die betrekking hebben op de in artikel 50, lid 1, bedoelde steekproef, worden uitgevoerd in hetzelfde kalenderjaar als dat waarin de steunaanvragen zijn ingediend.