Art. 38 Verordening (EG) nr. 216/2008, Taken en bevoegdheden van de uitvoerend directeur
1. Het Agentschap wordt geleid door zijn uitvoerend directeur, die volledig onafhankelijk is in de uitoefening van zijn taken. Onverminderd de bevoegdheden van de Commissie en de raad van beheer worden door de uitvoerend directeur geen instructies van een regering of enige andere instantie verlangd of aanvaard.
2. Het Europees Parlement of de Raad kunnen op verzoek de uitvoerend directeur horen over de wijze waarop hij zijn taken heeft uitgevoerd.
3. De uitvoerend directeur heeft de volgende taken en bevoegdheden:
a) hij keurt de in artikel 18 omschreven maatregelen van het Agentschap goed binnen de grenzen die in deze verordening, de uitvoeringsvoorschriften en het toepasselijk recht zijn vastgesteld;
b) hij neemt besluiten ten aanzien van inspecties en onderzoeken zoals bepaald in de artikelen 54 en 55;
c) hij wijst in overeenstemming met door de raad van beheer gestelde richtlijnen certificeringstaken toe aan nationale luchtvaartautoriteiten of gekwalificeerde instanties;
d) hij aanvaardt eventuele internationale functies en gaat technische samenwerking met derde landen aan voor de toepassing van artikel 27;
e) hij neemt alle noodzakelijke stappen, waaronder de vaststelling van interne administratieve instructies en de bekendmaking van mededelingen, om het functioneren van het Agentschap in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening te waarborgen;
f) hij stelt elk jaar een ontwerp van het algemeen jaarverslag op en legt dit voor aan de raad van beheer;
g) hij oefent met betrekking tot het personeel van het Agentschap de in artikel 29, lid 2, genoemde bevoegdheden uit;
h) hij stelt overeenkomstig artikel 59 ramingen van de ontvangsten en uitgaven van het Agentschap op en voert overeenkomstig artikel 60 de begroting uit;
i) hij kan, met inachtneming van volgens de in artikel 65, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgestelde voorschriften, zijn bevoegdheden aan andere personeelsleden van het Agentschap delegeren;
j) met de toestemming van de raad van beheer kan hij een besluit nemen met betrekking tot de vestiging van plaatselijke kantoren in de lidstaten, overeenkomstig artikel 28, lid 3;
k) hij zorgt voor de opstelling en uitvoering van het jaarlijkse werkprogramma;
l) hij geeft gehoor aan verzoeken om bijstand van de Commissie.