Art. 15 Richtlijn 2008/57/EG, Procedure voor de indienststelling
1. Onverminderd hoofdstuk V geeft elke lidstaat toestemming voor de indienststelling van de zich op zijn grondgebied bevindende of geëxploiteerde subsystemen van structurele aard, die van het spoorwegsysteem deel uitmaken.
Daarvoor nemen de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen opdat deze subsystemen alleen in dienst kunnen worden gesteld indien zij zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geïnstalleerd en/of zodanig worden geëxploiteerd dat de inachtneming van de desbetreffende essentiële eisen niet in het gedrang komt wanneer zij in het spoorwegsysteem worden opgenomen. Zij controleren met name:
— de technische compatibileit van deze subsystemen met het systeem waarin ze worden opgenomen;
— de veilige integratie van deze subsystemen in overeenstemming met artikel 4, lid 3, en artikel 6, lid 3, van Richtlijn 2004/49/EG.
2. Alvorens deze subsystemen in dienst worden gesteld gaat iedere lidstaat na of zij, eventueel, voldoen aan de desbetreffende TSI-bepalingen inzake bedrijf en onderhoud.
3. Na de indienststelling van deze subsystemen vindt de verificatie plaats:
a) voor infrastructuur in het kader van de toekenning van en het toezicht op de veiligheidsgoedkeuringen overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2004/49/EG;
b) voor voertuigen in het kader van de toekenning van en het toezicht op de veiligheidsgoedkeuringen overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG.
Hiertoe wordt gebruikgemaakt van de beoordelings- en keuringsprocedures die zijn omschreven in de desbetreffende structurele en functionele TSI’s.