Art. 24 Verordening (EG) nr. 834/2007, Verplichte aanduidingen
1. Wanneer termen zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, worden gebruikt:
a) wordt het in artikel 27, lid 10, bedoelde codenummer van de controlerende autoriteit of het controleorgaan waaraan de marktdeelnemer die de laatste productie- of bereidingshandeling heeft verricht, onderworpen is, ook op het etiket vermeld;
b) wordt, in het geval van voorverpakte levensmiddelen, het in artikel 25, lid 1, bedoelde communautaire logo ook op de verpakking aangebracht;
c) wordt, wanneer het communautaire logo wordt gebruikt, in hetzelfde gezichtsveld als het logo de plaats vermeld waar de agrarische grondstoffen waaruit het product is samengesteld, geteeld zijn; die aanduiding heeft, naargelang het geval, de volgende vorm:
— „EU Landbouw”, wanneer de agrarische grondstoffen in de Europese Unie geteeld zijn;
— „niet-EU Landbouw”, wanneer de agrarische grondstoffen in derde landen geteeld zijn;
— „EU/niet-EU Landbouw”, wanneer een deel van de agrarische grondstoffen in de Europese Unie en een ander deel in een derde land geteeld is.
De bovengenoemde aanduiding „EU” of „niet-EU” kan worden vervangen of aangevuld met een landnaam wanneer alle agrarische grondstoffen waaruit het product is samengesteld, in dat land geteeld zijn.
Voor de bovengenoemde aanduiding mogen kleine gewichtshoeveelheden ingrediënten buiten beschouwing worden gelaten voor zover de buiten beschouwing gelaten gewichtshoeveelheid in totaal minder dan twee procent uitmaakt van de totale hoeveelheid grondstoffen van agrarische oorsprong.
De bovengenoemde aanduiding mag niet worden aangebracht in een opvallender kleur, lettergrootte of lettertype dan de verkoopbenaming van het product.
Het gebruik van het communautair logo zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, en de aanduiding zoals bedoeld in de eerste alinea, is facultatief voor uit derde landen ingevoerde producten. Wanneer het communautair logo zoals bedoeld in artikel 25, lid 1, voorkomt op de etikettering, wordt echter op de etikettering ook de in de eerste alinea bedoelde aanduiding vermeld.
2. De in lid 1 bedoelde aanduidingen worden aangebracht op een opvallende plaats en zijn goed zichtbaar, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar.
3. De Commissie stelt volgens de in artikel 37, lid 2, bedoelde procedure specifieke criteria vast ten aanzien van de presentatie, de samenstelling en de grootte van de in lid 1, punten a) en c), bedoelde aanduidingen.