Art. 33 Verordening (EG) nr. 795/2004, Vervanging van voor braaklegging in aanmerking komende grond
Voor de toepassing van artikel 54, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 mogen de lidstaten in de volgende omstandigheden en tegen de volgende voorwaarden afwijken van de eerste alinea van lid 2 van dat artikel:
a) voor oppervlakten die vallen onder een herstructureringsprogramma, gedefinieerd als „een door de overheid opgelegde wijziging van de structuur en/of de subsidiabele oppervlakte van een bedrijf”,
b) in gevallen waarin om het even welke andere vorm van overheidsinterventie enerzijds tot gevolg heeft dat de landbouwer, met het oog op de voortzetting van zijn normale landbouwactiviteit, grond braaklegt die voordien als niet-subsidiabel werd beschouwd, en anderzijds dat grond die oorspronkelijk subsidiabel was, dit niet langer is,
c) indien de landbouwer de vervanging op zijn bedrijf van subsidiabele grond door niet-subsidiabele grond met relevante en objectieve redenen kan rechtvaardigen.
In deze gevallen treffen de lidstaten maatregelen om een belangrijke toename van het totale areaal dat voor braakleggingstoeslagrechten in aanmerking komt, te voorkomen. Dit kan met name inhouden dat, als compenserende maatregel, oppervlakten die voordien subsidiabel waren, als niet-ubsidiabel worden beschouwd. De oppervlakten die pas subsidiabel zijn verklaard door de lidstaten, mogen het pas niet-subsidiabel verklaarde areaal met niet meer dan [5] % overschrijden. De lidstaten mogen voorzien in een systeem voor de voorafgaande melding en goedkeuring van dergelijke vervangingen.