Art. 32 Verordening (EG) nr. 795/2004, Voorwaarden voor de braaklegging

Verordening (EG) nr. 795/2004

1. Braakgelegde oppervlakten moeten braak blijven voor een periode die uiterlijk op 15 januari ingaat en op zijn vroegst op 31 augustus eindigt. De lidstaten bepalen evenwel onder welke voorwaarden de producenten vanaf 15 juli een gewas mogen inzaaien dat in het daaropvolgende jaar wordt geoogst, en aan welke voorwaarden moet worden voldaan om in lidstaten met een traditie van „transhumance”, de grond vanaf 15 juli, of bij uitzonderlijke weersomstandigheden vanaf 15 juni, voor beweiding te mogen gebruiken.

2. De lidstaten nemen adequate, op de specifieke situatie van de braakgelegde oppervlakten afgestemde maatregelen om ervoor te zorgen dat de braakgelegde oppervlakten in een goede landbouw- en milieuconditie worden gehouden en het milieu wordt beschermd.

Deze maatregelen kunnen voorzien in een groenbedekking. In dat geval garanderen zij dat deze groenbedekking niet voor de productie van zaaizaad of pootgoed kan worden bestemd en vóór 31 augustus voor landbouwdoeleinden kan worden gebruikt en evenmin vóór 15 januari van het daaropvolgende jaar een voor verkoop bestemde plantaardige productie kan opleveren.

3. Het bepaalde in lid 2 geldt evenwel niet voor oppervlakten die in het kader van de artikelen 22, 23, 24 en 31 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 (7) van de Raad zijn braakgelegd of bebost en worden afgeboekt uit hoofde van de braakleggingsverplichting, voorzover de in lid 2 vermelde maatregelen onverenigbaar zijn met de in de genoemde artikelen vastgestelde milieu- of bebossingseisen.