Art. 38 Verordening (EG) nr. 795/2004, Aanvankelijke toewijzing van toeslagrechten
1. Voor de toepassing van artikel 59, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 stellen de lidstaten het in die leden bedoelde aantal subsidiabele hectaren, met inbegrip van grasland, vast aan de hand van het aantal hectaren dat in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling is aangegeven voor de vaststelling van de toeslagrechten.
2. I afwijking van het bepaalde in lid 1 mogen de lidstaten het in artikel 59, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 bedoelde aantal subsidiabele hectaren, met inbegrip van grasland, vaststellen aan de hand van het aantal hectaren dat is aangegeven in de steunaanvragen „oppervlakten” voor 2004 of voor het jaar dat voorafgaat aan het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling. Indien het aantal subsidiabele hectaren dat door de landbouwers is aangegeven in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, kleiner is dan het aantal subsidiabele hectaren dat overeenkomstig de eerste alinea is vastgesteld, mag een lidstaat de bedragen die overeenstemmen met de niet-aangegeven hectaren, volledig of gedeeltelijk herverdelen in de vorm van een toeslag op elk toeslagrecht dat in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling is toegewezen. De toeslag wordt berekend door het betrokken bedrag te delen door het aantal toegewezen toeslagrechten.
3. De waarde en het aantal van de toeslagrechten die zijn toegewezen op basis van de aangiften die de landbouwers met het oog op de vaststelling van de toeslagrechten hebben ingediend in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling, zijn voorlopig. De definitieve waarde en het definitieve aantal worden uiterlijk op 31 december van het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling vastgesteld, nadat de op grond van Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie uit te voeren controles zijn verricht.